Posts tonen met het label Jeugd. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Jeugd. Alle posts tonen

dinsdag 8 februari 2011

Faalangst

Mijn sportmentaliteit kan beter. Zo kan ik werkelijk prima tegen m’n verlies. Als ik zelf drie ballen in de kruising mik, maar we verliezen als team met 3-4: boeien! Vervelender nog is dat ik op veld of baan een schijtluis ben. Ik heb gevoetbald, gevolleybald en getennist, en altijd hoorde ik in no time bij de besten. Maar genieten? Ho maar. Voor iedere wedstrijd zat ik uren en uren op de pot. Stress!

Ik was de zevenkleurenschijtende Olympische bobsleestuurman van sportend Uden.

Mijn faalangst was zó groot dat ik er ooit bij de selectietraining voor het Oost-Brabantse volleybalteam (waar hebben we 't over?) heel bewust met de pet naar gegooid heb. Ik deed de hele dag mijn uiterste best iedere set-up te hard, te zacht, te hoog of te laag te spelen. En wat denk je? Precies: aan het eind van dag werd ik uitgekozen, vanwege mijn ‘natuurlijke balgevoel, spelinzicht en lengte’.

Balen.

De volgende dag heb ik de trainer gebeld. Dat ik er geen zin in had. Die man staat nu nóg met z’n mond vol tanden.

Misschien juist omdat ik het me zo goed kan voorstellen, ben ik gefascineerd door faalangst in de topsport. Het is nog een taboe, zeker in de überconservatieve voetbalwereld. Des te moediger vond ik het dat een aantal voetballers een paar jaar geleden in het prachtblad Johan meewerkte aan een reportage over faalangst. Een van hen was de huidige aanvoerder van NEC: Ramon Zomer. Hij zei toen baat te hebben bij ‘een stukje sportpsychologie’.

Iedere keer als ik hem nu zie spelen, schieten de volgende beelden door m’n hoofd.

De avond voor de wedstrijd. Daar zit ‘ie, thuis op de bank, samen met mevrouw Zomer. “Schat, dus jij vindt echt dat ik goed kan voetballen? Echt? Wil je dat dan nog één keer zeggen, alsjeblieft?” Of ’s ochtends op de wedstrijddag. Daar zit ‘ie, op de wc, moederziel alleen. De Twentsche Courant op schoot, het blijft maar komen. En komen. En komen. Knoop in de buik. Of vlak voor de wedstrijd, in de kleedkamer. Daar drentelt ‘ie. Stilzitten kan niet meer. Scheids, kan de wedstrijd beginnen? Nu, alsjeblieft? Iedere minuut wachten is uitstel van executie.

Dan is het 29 januari 2011. In het thuisduel tegen NAC Breda werkt Ramon Zomer zes (6!) seconden voor het eindsignaal de bal – heel ongelukkig, dat wel – in eigen doel. Ik zak plaatsvervangend door de grond. Dit overleeft de arme kerel niet. Maar wat zie ik, uit m’n ooghoeken? Ramon staat op, recht de schouders, trekt z’n medespelers die verslagen op de grond liggen, van de grond en bedankt keurig het publiek. Wat een sportman, wat een bikkel!

Als dit het resultaat is van een stukje sportpsychologie, overweeg ik op 36-jarige leeftijd alsnog een rentree op de velden. Het talent heb ik, de rest is maakbaar. Kijk maar naar onze eigen Ramon.

Sportend Nijmegen, here I come. 

vrijdag 4 februari 2011

Veertig

Om me heen vallen ze bij bosjes. De slachtoffers van de tijd. M’n oudste zus was twee jaar geleden aan de beurt, de vrouw van een jeugdvriend overkwam het vorig jaar, en een paar maanden terug bereikte ook vriend P. de Vreselijke Mijlpaal: veertig jaar. Ik heb dus heel wat feestjes gevierd, en ik ga er ook nog aardig wat voor de kiezen krijgen de komende tijd.

(Waaronder mijn eigen 40e verjaardag in augustus 2014, maar daar gaan we het nu natuurlijk niet over hebben, dat ligt veel te gevoelig.)

Ook gevoelig, maar op een iets andere manier, ligt de veertigste verjaardag van m’n jongste zus, van B. dus. Die zou precies over een jaar veertig moeten worden. Maar dat wordt ze niet. Nooit meer. Ze is op haar twintigste al overleden. De kwestie is: vier je een verjaardag die er nooit zal komen? Ja! Wij doen dat al jaren. Ergens in de eerste week van februari komen we bijeen. Gewoon om dat te doen wat we in onze familie het liefst doen: veel, lekker en lang eten en drinken. En veel, lang en diepzinnig praten. Niet zozeer specifiek over B. of over de dood en verdriet of zo, maar gewoon over alles wat in het leven belangrijk is.

Als je er maar over kunt discussiëren, dan is het een goed gespreksonderwerp voor de Petersjes.

Ja, ja, wij vermaken ons wel.

Maar wat doen we volgend jaar? De geijkte ‘oplossing’ - een megafeest voor 100 man inclusief tent, tap en barman – lijkt me geen optie. Te geforceerd. Een avond vol met abc’tjes, diavoorstellingen en andere lollig bedoelde stukjes dan? Neuh, hoeft voor mij ook niet. Het zou ook een rare ‘levensloop’ worden, halverwege ruw afgebroken.

Nee. Moeten we niet willen.

En toch vind ik dat we iets speciaals moeten doen. Nog meer dan andere jaren zal die dag ons aan ’t denken zetten. Wat zou er van haar geworden zijn? Huisje, boompje, beestje of juist niet? We weten het niet, zullen het nooit weten ook, maar over een jaar doet ieder van ons onwillekeurig moeite het zich voor te stellen. Nóg meer dan andere jaren dus.

Ach, het zal uiteindelijk wel weer een ouderwets eet- en drinkfestijn worden. Misschien met een extra goeie fles wijn erbij. (Ja, waarom niet een uit haar geboortejaar?). Zoiets past ons het beste. En B. vond dat ook heerlijk. Toen in elk geval wel. Of dat nu nog zo is, dat weten we niet. Maar wij vullen het voor haar in. Op basis van herinneringen. Meer kunnen we niet doen. Zo is het goed.

We denken aan je, lieve B. Proost!      

zaterdag 29 januari 2011

Gezwijmel

Mijn muzikale voorkeuren. Ik heb er wel eens eerder over geschreven. Tamelijk openhartige stukjes waren dat. Wie zonder blikken of blozen toegeeft wel eens uit eigen beweging een cd van Brenda Lee of Tammy Wynette te beluisteren, die stelt zich kwetsbaar op.  

Muziek is met afstand mijn meest geliefde kunstvorm. Misschien juist wel omdat ieders voorkeur zo uitgesproken persoonlijk en emotioneel geladen is. Muziek maakt je weerloos; het raakt je direct in je gevoel, of je nu wil of niet. Het roept herinneringen op die je al lang en breed vergeten was. Of die je welbewust had weggestoken. Muziek ontroert.

Niet zelden draai ik wekenlang dagelijks een slordige 461 keer achter elkaar hetzelfde nummer.

Die neiging tot herhaling heb ik nooit als ik een schilderij of een Romaans kerkje bekijk.

Vorige week zat ik weer eens ‘op spotify’. Beetje zoeken, beetje pielen, beetje luisteren. Ineens kwam het in me op: vroeger, op vakantie in Frankrijk, namen mijn ouders altijd een cassettebandje mee van The Cats. Ja, die van Piet Veerman. En van die bizarre spijkerpakken inderdaad. We draaiden de muziek in de auto op reis, op weg naar het zwembad, tijdens het eten, en als we met z’n allen om de tafel aan ’t toepen waren.

Mijn vader komt uit Limburg, vandaar dat toepen.

Ik vond The Cats prachtig. (Hé, ik was zeven of acht of zo). En verdomd: een jaar of dertig later raakt het me weer. Ik hoor de onmiskenbare keelklanken van Piet V. die zingt over de wind die één kant op waait en over Sheila die dronken onder een bar belandt, en ik ben weer even dat kleine jongetje. Ik ben graatmager, zongebruind, draag een afgeknipte spijkerbroek, sportschoenen van Eve & Adam en een petje van TI-Raleigh. Ik verslind de boeken van Arendsoog, ben lijp van wielrennen én van de zesjarige dromerige schoonheid Marjolijn.

En ik zwijmel weg bij The Cats.

De betovering duurt 36 minuten, oftewel twaalf nummers. Precies de liedjes die ook op ons bandje stonden. Daarna ben ik weer mezelf, 36 jaar, getrouwd, twee kinderen. Een eigen bedrijf, een huis, en een gezinsauto. Oké, dat is even een overgang, maar het is de schok waard. De 36 minuten waren fantastisch. Met dank aan De Muziek.

(En voor alle muziekpuristen: het maakt dus geen ene f*ck uit of het gaat om pak ‘m beet Muse of The Cats. It’s the feeling, stupid!)