Posts tonen met het label Sport. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Sport. Alle posts tonen

vrijdag 28 oktober 2011

Ik zag Theo de Jong op de tribune zitten

Tot m’n negende dacht ik dat ik profvoetballer zou worden. Bij de F-jes stak ik er met kop en schouders bovenuit. Altijd al groot geweest.
Ook qua talent zat het wel snor. Onze teamleider zei altijd: ‘Jochie, jij ziet het spelletje.’ Geen idee wat hij bedoelde, maar het klonk stoer. 
In de E1 kregen we trainingspakken. En rugnummers. Het mijne was 12, een veeg teken. Toch had ik zo m’n aandeel in het kampioenschap van de regio Uden-Erp-Veghel-Boekel-Volkel-Gemert-Odiliapeel. Ik kon hard rennen. Verder ging het spel vaak minutenlang aan mij voorbij. Vond ik niet zo erg. Beetje mijmeren, in het zonnetje. Ik kwam die twee helften wel door.   
Einde van het seizoen. De strijd om de titel van Noord-Oost-Noord-Brabant, tegen grote broer TOP Oss. De tribune zat vol, met ouders en andere familieleden. En met Theo de Jong. ‘Een oud-prof’, zei onze trainer in de kleedkamer. ‘Die komt scouten.’
De kans ontdekt te worden, kwam mijn spel niet ten goede. Mijn moeder, ook aanwezig, spreekt nog steeds van de ergste dertig minuten in haar leven. In de rust moest ik eruit.
Zelf weet ik alleen nog dat ik mijn directe tegenstander probeerde af te bluffen. ‘Daar zit Theo de Jong. Een oud-prof.’ Veelbetekenende blik naar de tribune. ‘Klopt’, zei de jongen. ‘Mijn pa komt altijd kijken.’
Toekomstig prof Dave de Jong scoorde vier keer die dag. Het werd 4-0. 

dinsdag 25 oktober 2011

Talentloos

Vandaag op hetiskoers.nl: 

Vorig jaar ging ik een avondje naar Adrie van der Poel luisteren. Niet de meest spannende bezigheid, dat klopt. Maar Jeroen Wielaert, Bert Wagendorp en nog wat wielerkenners waren opgetrommeld om in Nijmegen over De Koers te praten. Ook Adrie mocht wat zeggen. Dat nam ik voor lief.
Ik schrok wakker toen Adrie piepend vertelde over een dag uit het leven van Adrianus van der Poel (ook Mart Smeets werd aangehaald).
Korte, saaie dagen waren dat. Adrie stond om negen uur op, propte wat boterhammen met kaas naar binnen, ging trainen, keerde zeven uur later terug, sloeg drie borden met wortelenstamppot achterover en vertrok om negen uur volmaakt tevreden naar dromenland.
Waar de dochter van Poupou was in dit verhaal? Ik weet het niet.
Nog zo een: Sean Kelly. Niet toevallig ook een oud-kampioen. Trok zich in de wintermaanden terug in een oud-Keltische blokhut op de Ierse prairie, beukte dagelijks een uurtje of acht tegen de Atlantische storm in en kroop iedere avond bij het ondergaan van de zon (nou ja, zon) in z’n bedstee onder vier ruwe paardendekens.
Alleen op kerstavond kon er een wijntje af. Vast en zeker op verzoek van mevrouw Kelly. (Of zij ook in die hut vertoefde, is mij niet duidelijk).
Mensen als Adrie en Sean intrigeren me. De blinde toewijding, de kadaverdiscipline, de totale afwezigheid van welke bourgondische uitspatting dan ook. Nooit een zwak moment. Nooit de behoefte zich interessanter voor te doen dan ze zijn. En, vooral: geen existentiële angst een ander, minstens even belangrijk deel van het leven te missen. Is dat dom, kortzichtig? Of juist een blijk van talent?
Als het antwoord ‘b’ luidt, bestempel ik me hierbij definitief als talentloos coureur.
Maar ik ben wel gezellig. Zegt mijn vrouw.

vrijdag 7 oktober 2011

Emma

Vandaag op hetiskoers.nl

“Ik heb mijn vorm van de Vuelta nog wat kunnen aanscherpen. Ik ben er klaar voor.” Op sporza.nl vertelde Jurgen van den Broeck, die vorig jaar nog meedeed om het podium in de Tour, dat hij uitkeek naar de Ronde van Beijing. Ik had blijkbaar iets gemist. Een vijfdaagse ronde in de Chinese hoofdstad? Helemaal aan het einde van het seizoen, amper een week na het WK?
Ik werd er niet warm van. 
Eergisteren zag ik zowaar beelden voorbij komen van het plaatselijke rondje. Of eigenlijk: flarden van beelden, want het mistte nogal. Smog. Het was er ook niet erg druk. Chinezen zijn blijkbaar erg bezig met hun opkomende wereldeconomie. Ze werken. Lang en hard en veel. Als ze al vrij hebben, kijken ze naar pingpong of turnen. Niet naar bleekneus Nicolas Roche die eindelijk eens een koers(je) wint. Logisch.
De immense leegte langs het parcours deed me denken aan de Ronde van Uden. Die kwam bij ons voor de deur langs. Ik heb het nu over een dikke twintig jaar geleden. De hele zondag ijsbeerde ik langs de route. Niet zozeer omdat ik de koers zo spannend vond. De ware reden dat ik me onder de andere vijftien toeschouwers mengde, was Leontien. Tinus, in het Brabants. Deze goedlachse meid uit Boekel won iedere koers waaraan ze meedeed. Daarnaast was ze een lekker ding. Vond de 13-jarige Sander.
Na de koers kleedde Tinus zich om bij onze buren. Die kenden haar van de Boekelse camping. Ik probeerde door de coniferenhaag een glimp op te vangen van haar enorme bos krullen en haar goed gevulde billen in het strakke pakje. Daar werd ik wel warm van.
Voor de duidelijkheid: dat was twintig jaar terug.
Deze zomer zag ik op de Vlaamse televisie een leuke blonde meid op tv. Een wielrenster, uit Zweden. Niet in een koerspakje, maar gewoon verkleed als mens. Mocht deze Emma Johansson ooit meedoen aan de Ronde van Nijmegen, dan mag ze zich bij ons omkleden. Of bij onze buren. 

woensdag 28 september 2011

Spelletje

Het levensgrote billboard toont een meisje. Vrolijke blonde staart, roze elastiekjes. Ze drinkt cola, met een rietje. Het grietje is zestien, hooguit zeventien. Giebelend stoot ze haar vriendinnen aan en zwaait naar de onzichtbare camera. ‘Daar moet een piemel in, daar moet een piemel in’, klinkt het uit tienduizend kelen.
Welkom in het voetbalstadion.
Als taalman kan ik oprecht genieten van het spreekkoor. Mooi fenomeen. Poëzie, rauwe dichtkunst. Volks, plat, dat zeker, maar in wezen onschuldig. Toen kutmarokkanen nog gewoon rotjochies waren, zongen de stadions liefdevol: ‘Dries Bous-sat-ta, je moeder heeft een snor, je moeder heeft een snor, je moeder heeft een snor.’ Lachen man.
Categorie hi-ha-hondenlul, maar dan melodieuzer.
De laatste jaren vind ik het wat minder gezellig worden langs de velden. Goed, ‘Hamas, Hamas, Joden aan het gas’ rijmt. Maar ontzettend grappig is het niet. Veel stuitender, want op de persoon gericht, waren de verwensingen die Ajax-coach Louis van Gaal over zich heen kreeg toen zijn vrouw overleed aan kanker.
Ik voelde dat er iets op knappen stond. Bij mij, welteverstaan.
Twee weken terug bestormden een paar honderd mannen de burelen van Feyenoord. Ze droegen fakkels en hakten met ijzeren staven in op alles en iedereen. Ze waren boos, heel boos. Omdat hun club in financiële en sportieve problemen verkeert.
Toen weldenkende mensen vervolgens gingen zeggen dat ‘geweld na-tuur-lijk afkeurenswaardig is, maar dat de fans inhoudelijk wel een punt hebben’ haakte ik af.
Was voetbal maar weer gewoon een spelletje.

vrijdag 16 september 2011

Blije eikel

Vandaag een stukje van mijn hand op de website van Hard Gras


Gottegot, wat vonden we hem leuk. Verfrissend. Anders. Een intellectueel in de voetballerij. Een onafhankelijke geest ook, want: eenmaal ontslagen door een boze bobo kon ‘ie hopseflops weer aan de slag als leraar Duits op de Oude Pekelase Scholengemeenschap.  
Ron Jans, met z’n pretoogjes.
En hij boekte verdomme nog succes ook, daar in Groningen.
Toen mocht Ron ook komen analyseren. Aan tafel bij Jack en Tom en Toine, van de NOS. Ron wilde wel, want hij vindt altijd en overal alles even leuk. Ron glimt vrolijk als ‘ie z’n tong breekt op de naam Cagliari (Kagliaarie op z’n Rons, maar goed, het is ook geen Duits), hij grijnst en blijft grijnzen als Bas Dost hem neerzet als onbuigzame fascist, en zelfs als Louis van Gaal verbaal gehakt van ‘m maakt op een persconferentie, krullen de mondhoekjes van Ron koket omhoog. ‘Gekke vent’, zie je ‘m denken. Rons ironische wenkbrauwtjes maakten Louis nóg razender.   
Mij ook, de laatste tijd. Ik kan Ron niet meer zien, met z’n relativerende ‘wie-maakt-mij-wat-het-is-maar-voetbal’-houding. Het is too much. Word in godsnaam gewoon eens lekker onredelijk boos, Ron. Blije eikel!    

donderdag 4 augustus 2011

Stereotiep

Hersenwetenschapper Dick Swaab herhaalde het afgelopen zondag enkele keren in het programma Zomergasten: ‘De vrije wil is een illusie.’ Dat die uitspraak waar is, merk ik vrijwel dagelijks. Je kunt nog zo uniek en bijzonder willen zijn, het leven is niet meer dan een aaneenschakeling van rolbevestigende clichés en biologisch voorgeprogrammeerde stereotypen.

Zeker als je kinderen hebt.

Toen ik eenmaal besloten had dat ik met A. voor nageslacht wilde zorgen, had ik maar aan één beeld voor ogen: als ik thuiskwam uit mijn werk zouden er zes mini- A’tjes - met witte staartjes, brilletjes en jurkjes - om mijn nek vliegen, terwijl ze in koor uitriepen dat ik de liefste papa van de wereld was. Hoe weinig origineel: onderzoek wijst uit dat zo’n beetje alle smoorverliefde, broedse mannen deze wens koesteren.

Het liep even anders: we kregen twee jongetjes. Weg droom van de zes chicken littles. Maar wat er in plaats daarvan niet allemaal door m ’n hoofd schoot toen Max ter wereld kwam! Een erfgenaam, de oudste zoon van de oudste zoon van de oudste zoon, dat soort onzin. Maar ook: yes, samen naar het voetbal, de f-jes trainen, met z'n tweetjes de Mont Ventoux oprijden en - nóg ietsje later hopelijk - allemaal spontane hockeymeiden aan de zondagse ontbijttafel.

Nu, een jaar of drie later, is er niets veranderd. Sterker: ik word alleen maar clichématiger. Afgelopen zondag bezocht ik met Max de open dag van NEC. Genieten. Max in een veel te groot wedstrijdshirt, maatje 'op de groei'. ‘Nu ben ik ook voetballer, papa.’ Samen op de tribune, reuzenzak chips op schoot. ‘Niet aan mama vertellen, hè, jongen’. Papa een biertje, Max een pakje drinkchocomel. Kleine handjes die op mijn arm rusten. Grote ogen, opwinding. ‘Ik wil keeper worden, papa.’

De mooiste dag van mijn leven.

Ik heb twee zoons. Wedden dat er nog heel veel mooiste dagen gaan volgen. 

vrijdag 29 juli 2011

Voetbalvriend

Hij lacht altijd, vriendelijk maar verlegen, verft z’n haar en is een beetje van onbestemde leeftijd. Mijn buurman op de NEC-tribune. Ik schat ‘m op 65 jaar. Of 60. Of 70. Bert noem ik hem hier voor het gemak even. Of beter: Bertje. Want mijn buurman is een buurmannetje. Hooguit 1.60 is ‘ie. Z’n kleren - spijkerjack, spijkerbroek - slobberen altijd wat om hem heen. Het zadel van z’n fiets staat vast ook te hoog. Wedden? Dat zie je vaker bij kleine mannetjes. Alsof ze hun gebrek aan lengte ontkennen.
Bertje is een echte Nimwegenaar. Hij zegt veur waar hij voor bedoelt. Bijvoorbeeld: “Zeg buurman, waarveur staan we hier eigenlijk elke week?” Want nuilen kan Bertje als de beste. Maar Bertje is ook een schat, met het hart op de goede plek. Iedere week een welgemeende handdruk, gevolgd door een onhandige schouderklop en dan: “Hoe is het met de kleintjes? En met dat leuke frouwtje van je?”

Nee, Bertje heeft z’n ogen niet in de zak zitten. Niet in z’n broekzak in elk geval.

Bertje is ook een echte fan. Een liefhebber. Bloedfanatiek, zeker als we tegen Ajax, PSV of Vitesse moeten. Dan zit ‘ie nog eerder dan normaal op de nog lege tribune. Zonder kopje koffie, en zonder vette hamburger of broodje worst. Hij zit daar en kijkt. En lacht vriendelijk als iemand iets tegen ‘m zegt. Zodra ik naast ‘m ga zitten, brandt ‘ie los. Hele verhalen. Over z’n zoon en diens kleintjes. Mooie kereltjes. Over z’n pijntjes, hier en daar. Z’n rug, z’n benen. Altijd op de vrachtwagen gezeten, vandaar. Maar vooral over voetbal, voetbal, en voetbal. En over zijn cluppie. “Hèjje geheurd wat die snor gisteren over enniessee zei?”
Mijn antwoord doet er niet wezenlijk toe. Hij praat al verder; ik lach vriendelijk. Meer hoeft ook niet. Bertje en ik zijn voetbalvrienden. We weten vrijwel niets van elkaar, zouden elkaar in het ‘normale leven’ nooit hebben leren kennen, maar als de scheidsrechter blundert, schelden we samen. Als NEC scoort, dansen en springen we samen. En als NEC van Vitesse wint, knuffelen we elkaar. Heel lang en intiem. Maar daar praten we niet over. Stel je voor. We zijn gewoon voetbalvrienden, hè, meer niet.

Sinds een halfjaar zie ik Bertje niet meer.

Het begon met één duel, ergens vlak voor de winterstop. “Hé, jongens, Bertje is er niet.” De week erna: geen Bertje. Vreemd hoor. En ergens ook niet leuk. Bertje hoort erbij. Zo simpel is het. De winterstop passeert, weken worden maanden, het seizoen nadert z’n einde, maar geen spoor van Bertje. Zelfs tijdens de wedstrijden tegen Ajax, PSV en Vitesse blijft z’n plekje leeg. “Weet jij waar dat mannetje is gebleven?”, vraagt Bertjes buurman van de andere kant. Ik zeg dat ik het niet weet, lach wat schaapachtig, maak een flauwe grap en vervolgens halen we stoer onze schouders op. Maar diep in m’n hart ben ik bang. Bang dat er iets met Bertje is gebeurd. Dat het goed mis is met mijn voetbalvriend.

Over een week begint het seizoen weer. Ik ben heel bang dat er ineens een ander op Bertjes stoel zit.  

zaterdag 23 juli 2011

Echte mannen kijken naar de koers


Niets erger dan sport kijken in het bijzijn van iemand die er niets van begrijpt. Ooit aanschouwde ik noodgedwongen samen met mijn oude oma de Wimbledon-finale. Toen tovenaar Pete Sampras de bal met onvoorstelbare precisie twee centimeter achter het net deponeerde en het keurige Engelse publiek en masse uitbarstte in een angstaanjagend orgastisch gekrijs, zei  oma: “Dat is niet eerlijk. Die ander kon daar nooit bij.”

Ik ben gezegend met een sportminnende vrouw. (Dat is natuurlijk geen toeval. Hoe verliefd ik ook was en hoezeer ik verdronk in haar prachtige ogen, toch heb ik haar eerst aan een driekwartier durend kruisverhoor onderworpen.) En dus kijken wij hier thuis samen naar tennis, zwemmen, hockey en voetbal – zonder dat ze het heeft over lekkere kontjes, dito benen en de ‘heerlijke koppies’ van Luis Figo of (godbetert) Cristiano Ronaldo. Tijdens de Olympische Spelen volgen we geboeid de halve finales kruisboogschieten en de vrije kür van de dressuurpaardjes en hun ruiters.

Ik heb mijn zaakjes goed voor elkaar.

Er is één maar. Eén levensgrote maar. Mijn vrouw snapt niets van wielrennen. Goed, ze kruipt zelf geregeld op haar kekke fitnessbike voor een rondje door het Nijmeegse heuvelland. Maar de koers, dat kan haar niet boeien. Vergeten te vragen tijdens onze eerste ‘date’. Heel even had ik nog hoop, toen ik na een prille drie weken verkering op haar bank de Ronde van Vlaanderen mocht volgen en ze gezellig naast me kwam zitten. Mijn goede zin verdween echter op slag toen ze aan me ging zitten friemelen en concludeerde dat ze ‘geen uren naar hard fietsende, lelijk dunne mannetjes wilde kijken.’

Wat een ellende.  

Nu, zeven jaar en ontelbare koersen later, vormen wij nog steeds een koppel. Sterker nog: we hebben samen voor nakomelingen gezorgd. Tegenwoordig lig ik in juli met mijn twee zoons (yes!) voor de buis. De jongste snapt er ook niet al te veel van, maar dat vergeef ik hem. Hij is net acht maanden oud en meer geïnteresseerd in z’n wollige opdraaikuikentje dan in waaiers en chasses patate. De oudste kijkt wel echt mee, en stal onlangs mijn hart toen hij het peloton ontwaarde en riep: ‘Kijk, allemaal papa’s!’

Kennertje.

Nu roept ‘ie om de tien minuten dat ‘echte mannen van wielrennen houden, hè, papa?’. ‘Zeker, jongen, dat doen we’, antwoord ik. En dan pakken we elkaar heel lang en heel gelukzalig vast.

Vorige week donderde ik keihard van mijn roze wielerwolkje, toen mijn 3-jarige partner in crime net als ik op het puntje van z’n stoel een van de adembenemende massaprints volgde, en plotseling heel verbaasd kraaide: ‘Hé, papa, kijk: ze doen een wedstrijdje!’ Duidelijk een zoon van z’n mama en een kleinzoon van z’n oma. En dus heb ik vorige week m’n studentikoze zwartwit tv’tje onder het stof vandaan gehaald en aangesloten op zolder. Ik kan de gele trui niet onderscheiden van de groene, de witte en alle andere kleurrijke pakjes van de wielerploegen, het is soms ondraaglijk heet op zolder, en er staat geen bank.

Maar alles beter dan de Tour volgen te midden van een zooitje cultuurbarbaren. 

maandag 18 juli 2011

Björn de Onzichtbare

Vandaag op http://hetiskoers.nl:

Ieder mens heeft wel één eigenaardige liefhebberij. De een bezoekt thuiswedstrijden van Vitesse, de ander verzamelt postzegels. En ik? Ik speur in de laatste Tourweek, zo rond de tweede rustdag, naar de Onzichtbare Renner. Zo’n renner van wie je denkt: huh, doe die ook mee? Heeft ‘ie alle etappes meegereden of stiekem in de Pyreneeën opgestapt? Gewoon om effe wat kilometertjes bij te trainen.  

Het kan toch niet zo zijn dat ik steeds op de wc zat toen die vent door het beeld kwam fietsen.

Voor de duidelijkheid: de echte Onzichtbare Renner is niet het hele jaar door onzichtbaar. Integendeel: de Onzichtbare Renner is juist een bekende coureur. Liefst zelfs een heuse kampioen, een klepper. Het is namelijk vet knap om met een bekende kop en grote naam twee weken als een soort spookambtenaar door het peloton te rijden.
Verwar de Onzichtbare Renner dus niet met de renner die jaar in, jaar uit redelijke uitslagen rijdt, maar wiens naam je eigenlijk nooit hoort en bij wie zelfs de grootste wielerfreak met moeite een gezicht kan plaatsen. Zo’n renner van wie je aan het eind van de Tour denkt: huh, is die elfde geworden? En dat ieder jaar weer.

Zeg maar de Nicolas Roche van het peloton.

Die laatste categorie: daar heb ik niets mee. Aanklampers zijn het, grijze muizen. Beetje sneu. En vooral: oersaai. 

Nee, dan de Onzichtbare Renner. Dat is puur genieten. Vanochtend was het weer zover. Ik klap m’n laptopje open en zoom verlekkerd - voorpret, voorpret! - in op de uitslag van de veertiende etappe. En ja hoor, ik zie er onmiddellijk weer een. Een echte, een prachtexemplaar. Wie? Ik heb het over Björn Leukemans. On-ge-loof-lijk. Die vent, nochtans een prima renner, schijnt al twee weken mee te peddelen in de buik van het peloton. Iedere andere renner van Vacansoleil is al minimaal vijftig keer mee geweest in een monsterontsnapping, maar Björn? Björn niet. Die rijdt mee, naar het schijnt.

En toch.

Toch stapt ook Björn iedere dag uit en in de bus. Ook Björn wordt dagelijks gemasseerd, zit iedere avond aan tafel met de ploeg te eten en kruipt iedere nacht in een hotelbed. Sterker nog: hij deelt zelfs een kamer met een teamgenoot. Zou die roomie wél weten dat Björn meedoet? Of schrikt die zich ook klem als er op de ochtend van de vijftiende etappe ineens een klein, dun, pezig mannetje z’n tanden staat te poetsen? “Björn, kerel, wat brengt u hier in de Tour? Te gast bij Karl of Mart?”

Wat nu als Björn straks Parijs haalt? De ene helft van het peloton duikt direct achter de finish het bed in met de vrouw, de andere helft scheurt met 200 km/u naar huis om daar hetzelfde te doen. En Björn? Björn niet. Ik zie ‘m staan, met z’n koffer. Helemaal alleen op het Gare du Nord. Hij heeft net z’n vrouw gebeld, maar kreeg haar voicemail. En dus wacht hij, gelaten, op de trein die hem naar Vlaanderen brengt. Naar de criteriums, waar iedereen hem zal vragen: “En gij Björn, beetje uitgerust in juli? De fiets helemaal niet aangeraakt of toch nog wat getraind op vakantie?”

Björns antwoord volgt begin april 2012. In de Ronde. Wedden? 

zondag 17 juli 2011

Vergeten wielrenner: Vainsteins, Romans

Vandaag gepubliceerd op http://hetiskoers.nl:

Romans Vainsteins (3 maart 1973)

De eerste keer dat we van hem horen, is in Valkenburg. Een regenachtige zondagmiddag, in oktober 1998. Het wereldkampioenschap op de weg voor professionals. De dag van de ‘afloper’ van Michael Boogerd. De dag ook van de luizige overwinning van Oscar Camenzind.

En de dag dat we voor het eerst merken dat Peter van Petegem ook wel eens in het najaar opstapt.

Heel even lijkt het alsof de speaker Bernard Weinstein, een van de handlangers van Marc Dutroux, in de kop van de koers signaleert. Maar nee, het blijkt Romans Vainsteins te zijn, een Letse wielrenner van 25 jaar oud, in dienst van het Italiaanse Vini Caldirola, en even onbekend als breedgeschouderd. (Volgens goed ingevoerde bronnen knipt hij ieder ochtend z’n shirt onder de oksels open, anders past ‘t niet). Vainsteins wordt in Valkenburg elfde. In de beestachtige omstandigheden van die dag - regen, wind, kou - een puike prestatie.

In totaal rijdt de geblokte Vainsteins - te herkennen aan een paar borstelige wenkbrauwen onder de onafscheidelijke bandana – een jaar of negen rond in het profpeloton. Met wisselend succes. Vooral in 1999 behaalt hij prima resultaten, met de zesde etappe in de Giro d’Italia en de klassieker Parijs-Brussel als blikvangers. In 2000 boekt hij – bijna letterlijk onder de ogen van ondergetekende – zijn grootste triomf: op het WK in het Franse Plouay verslaat Vainsteins in een adembenemende sprint de Poolse troef Zbigniew Spruch en de Spaanse WK-specialist Oscar Freire. De sluwe Vainsteins profiteert die dag optimaal van de rivaliteit tussen de oersterke blokken van Frankrijk, Italië en Spanje. En van de licht hellende finishstrook, die brute machtssprinters in de kaart speelt. Zeker na 260 kilometer koers in een winderig (zeg maar gerust: stormachtig) Bretagne.

Zoals zo vaak is die andere sluwe vos, Patrick Lefevere, er als de kippen bij om de kersverse wereldkampioen een ongetwijfeld lucratief contract onder de neus te drukken. De goedmoedige Vainsteins tekent voor twee jaar bij Domo-Farm Frites en… rijdt geen deuk meer in een pakje frituurvet, eeh boter. Oké, hij wint nog een etappetje in de Tirreno en eentje in de Ronde van Catalunya, maar verder? Gefriemel in de marge.

Duidelijk gevalletje van regenboogtruivloek.

Of is er meer aan de hand? Vainsteins is zoals gezegd afkomstig uit Letland. Uit Oost-Europa dus. Na de Val van de Muur waaieren de sporters, opgegroeid met de kadaverdiscipline achter het IJzeren Gordijn, uit over het decadente Westen. Onder wielrenners is Italië het beloofde land. De luxe die ze daar aantreffen – mooi weer, dito dames, overheerlijk eten en drinken, strakke maatpakken en snelle auto’s - overtreft hun stoutste verwachtingen. Slechts de gladgeschoren benen van een enkeling kunnen de weelde dragen: Erik Zabel is er zo een. Dimitri Konyshev eigenlijk ook.

En Vainsteins?

Ja en nee. Ja, hij mag zich wereldkampioen noemen. Hoeveel oud-Oostblokkers kunnen hem dat nazeggen? Maar nee, het vette contract bij Patricks frietploeg is ook hem te veel. Vier jaar en evenveel overwinninkjes na zijn pièce de résistance in Plouay slaagt de arme Vainsteins er zelfs niet meer in een contractje los te peuteren. Hij zet een punt achter z’n carrière. 

Typisch gevalletje van een nachtkaarseinde.  

Met de finishfoto op ons beeldscherm denken wij nog even terug aan die gedenkwaardige dag in het najaar van 2000. Romans Vainsteins komt schreeuwend en met de armen gestrekt langs de oren over de streep. Wereldkampioen!

Huh? Er zit helemaal geen scheur onder z’n oksels. 

woensdag 6 juli 2011

Het is koers! Deel 2

En hupsakee, de volgende alweer. Wie heeft het over komkommertijd? 

Gérard Holtz, de Franse Mart


Dit stukje gaat eens niet over Mart Smeets. Nou ja, een beetje. Dit stukje gaat vooral over Smeets’ Franse tegenhanger: France 2 ‘anchorman’ Gérard Holtz. Bezie tien seconden van een van Holtz’ succesprogramma’s - l’Avant Tour en l’Après Tour - en je weet: een groter contrast met onze Mart is nauwelijks denkbaar. Ieder land, ieder volk verdient z’n eigen helden. Waar de Fransen in katzwijm vallen van mannen als DSK, Johnny Hallyday en Bernard Tapie, moeten wij het doen met JPB, Dries Roelvink en Harry Mens. Zij hebben Holtz – zongebruind, hagelwitte tanden, en gladder dan de gladste ijsvloer – wij hebben Smeets. Rendiertruienfetisjist, onduidelijk haar en 120 kilo schoon aan de haak.

En toch. Zelfs de grootste Smeets-basher verlangt na twee uur Franse tv intens naar De Avondetappe en Marts gruwelijke bloezen.

Dat is allemaal aan één man te danken: Gérard Holtz.

Iedereen die wel eens naar de Franse radio heeft geluisterd, weet het. Franse presentatoren kwebbelen. Ze giechelen, brabbelen en praten allemaal door elkaar heen. Irritante druktemakers zijn het. Precies zo gaat het op tv ook, alleen dan erger. Want dan zie je de hoofden erbij. En om het hoofd van Gérard Holtz kun je niet heen. In juli, op France 2 althans.

Een jaar of twintig terug maakte ik iets verbijsterends mee. De beelden spoken nog wel eens door m’n hoofd, ’s nachts in enge zweterige dromen. Ik stond langs de weg, op een berg ergens bij Saint-Etienne. Te wachten op de Tour. Het was warm, heel warm. En druk, heel druk. Met Fransen vooral, want het was een zondag. Overal picknickten families in de berm. Hele en halve kippen smeulden zwartgeblakerd op futuristische barbecues. De wijnfles ging van hand tot hand.

Toen gebeurde het.

Er kwam een auto aan met een motoragent ervoor. France 2 stond er met schreeuwerige gele letters op de rode auto. De mensen stonden op van hun campingstoeltjes en begonnen te roezemoezen. Ze dromden samen om de auto. Het geroezemoes ging over in opgewonden gekwebbel. Toen een kleine, veel te bruine man uit de auto stapte, met ontbloot bovenlijf(je), werd de meute bijkans hysterisch. Vrouwen gilden, worstelden zich naar voren om – echt waar! – massaal de borst van de man aan te raken. Die man – ja, het was natuurlijk Gérard – genoot zichtbaar. Sterker nog: hij ging er nog eens goed voor staan: borst vooruit, armen in de zij. De mensenmenigte ontplofte. Napoléon kwam de Tour bezoeken!

Pas toen Holtz ontzet was door de motoragent – die nog net geen waarschuwingsschoten hoefde te lossen - kon de presentator zijn weg vervolgen. Op naar de volgende orgastische mensenmassa.

On-ge-loof-lijk.

Een kwartier daarna kwam de NOS-mercedes omhoog gescheurd. Op de bijrijdersstoel lag een man. Een heel grote, dikke man, die met een onvoorstelbaar chagrijnig gezicht de mensen langs de weg bekeek. Mart Smeets. Godzijdank had Mart wel kleren aan. Geen rendiertrui, maar een overhemd. Lelijk, dat wel natuurlijk, maar gelukkig (gelukkig gelukkig!) was zijn immense lijf bedekt. En bleef hij in de auto liggen.

Nog nooit ben ik zo blij geweest dat ik Nederlander ben.  

Het is koers!

Sinds kort ben ik toegetreden tot het gilde der wielerbloggers. Mijn eerste stuk verscheen maandag 4 juli op http:/hetiskoers.nl. Voor de enkeling die deze fantastische blog niet op de voet volgt, plaats ik mijn posts hier nog eens. 

Toen de Tour door Uden kwam

Zondag 30 juni 1996. Die dag doorkruiste de Tour de France de provincie Noord-Brabant. Ergens halverwege de etappe Den Bosch-Den Bosch deed het peloton - ja, echt! - mijn geboorteplaats Uden aan. Ook al was ik drie jaar eerder naar de grote studentenstad vertrokken, toch keerde ik die dag eind juni nog even terug.

Voor de Tour doe je dat soort dingen. Ik wel in elk geval.

Daar stond ik dan. Op de rotonde bij de Aldi.

Ik zag hysterische reclamekaravaanmeisjes zwaaien naar buurman Harrie. Ik zag strenge gendarmes een meute dronken Udenaren in bedwang houden voor café/zalencentrum ’t Cafeeke. En ik stond schouder aan schouder met Adrie, mijn voetbaltrainer-met-matje van bij de f-jes, toen Miguel Indurain, Bjarne Riis, Richard Virenque en een slordige 200 andere helden met een rotvaart langs schoenenwinkel Dingemans raasden.

Die dag is een stukje Sander gestorven. Het heeft slechts 22 jaar oud mogen worden.

Vroeger - we spreken over eind jaren ’70, begin jaren ‘80 - liep ik hele zomers lang met een Renault-petje op m’n hoofd. Ik was voor Bernard Hinault. Geen idee waarom. Het was nu eenmaal zo. Mijn Bretonse held reed bij de Renault-ploeg, vandaar dat petje. ’s Avonds in bed verslond ik stiekem, met de zaklamp onder de dekens, de Tourboeken van Theo Koomen. En in de eerste drie weken van juli kroop ik dagelijks bijna in een krakende transistorradio om te luisteren naar even opgewonden als onverstaanbare Franse wielerverslaggevers.

Dat laatste moet ik even uitleggen.

Wij, dat wil zeggen mijn francofiele ouders en drie volgzame kindertjes, bivakkeerden ieder jaar vier weken lang ergens in de Franse bush. Zover mogelijk van de beschaving, daarop selecteerden mijn ouders de vakantiehuisjes. Heerlijke zomers waren het, daar niet van, maar echt wielerfanvriendelijk was het allemaal niet. Geen tv, dat was het ergste. En bovenop een bergtop of diep in een onvindbaar dal was de radio-ontvangst niet altijd even goed. Zacht uitgedrukt. Niet zelden lazen we pas een dag later in sportkrant l’Equipe, die mijn vader honderden kilometers verderop in het dichtstbijzijnde gehucht had gekocht, wie achter Hinault als tweede was geëindigd.

Prachtige herinneringen.

Ergens in die vier eindeloze weken was daar altijd De Dag. De dag waarop de Tour ‘in de buurt’ was. En zo niet, dan gingen wij naar de Tour. Bij veertig graden vier uur heen, vier uur terug met z’n vijven in een Renaultje 4? Wandeltochten van zes uur over drie cols van de buitencategorie? Pas de problème. Wij waren erbij, met picknickmand en spandoek. Allez Bernard! Helse tochten waren het, met als beloning een minuut of tien, vijftien opperste spanning. De renners kwamen voorbij. Hinault voorop; Knetemann achteraan. De rest herkende je niet.

Pure magie.

En toen kwam de Tour door Uden. 

donderdag 10 februari 2011

Vrouwen op een fiets

Wielrenners zijn net vrouwen. Zeker de mannen onder hen. Raar? Nee hoor, het is zo klaar als een klontje. Wielrenners zijn namelijk erg ‘bezig’ met anderen. Met andere wielrenners welteverstaan. Nog specifieker: met het uiterlijk van andere wielrenners. Met hun kleren. Met hun buik en billen. En above all: met hun benen.

Wielrenners zijn onuitstaanbare ijdeltuiten. Extreem onzeker en dus afgunstig.

Net vrouwen, zoals ik zei.

Ik ben ook wielrenner. Een goedwillende amateur, oké, maar ik voldoe aan alle criteria. Ook ik wring me in bochten om er zo gelikt mogelijk uit te zien op de fiets. Kek pakje, Italiaans spiegelbrilletje, witte sokjes (!) en gebruinde benen. Er zijn jaren geweest – ja, echt! - dat ik mijn beide benen biljartbalkaal schoor. Wie die benen wel eens in real life heeft mogen bewonderen, weet wat een hels karwei dat was. Haren, haren, en nog eens haren.

Maar ja, wie mooi wil zijn…

En het is natuurlijk kicken iedere keer als je in die etalageruit op je eigen spiegelbeeld zit te geilen. Wow, die spieren!

Keerzijde van dit verhaal is wel dat wij (let op: ik ga over op de eerste persoon meervoud) geen afgetrainde profs zijn, maar luie mooi-weer-fietsers. Die een hoofdzakelijk zittend beroep hebben. En ook nog eens de dertig gepasseerd zijn. Kortom: dat strakke pakje gaat als vanzelf steeds strakker spannen. En die witte sokjes en dure Italiaanse zonnebrillen hebben steeds meer moeite de aandacht van dat beginnende buikje af te leiden.

En dus gaan we gluren. En vergelijken.

Ieder jaar weer lach ik in m’n vuistje als ik zie dat fietsvrienden J. en F. ook niet geheel schadevrij uit de winter zijn gekomen. Zat die broek van J. altijd zo bizar strak? En kijk z’n benen eens, die zijn toch echt wel mollig. Zat F. vroeger ook al zo hoekig op z’n fiets? En die rooie kop van ‘m, geen gezicht.

Blij dat ik er in elk geval stukken professioneler uitzie.  

Des te harder is de klap als we (en dat gebeurt ieder jaar wel een aantal keer) weer eens worden voorbij gekacheld door een stokoude, moddervette, behaarde en bebaarde mafkees op een fiets die vast heel modern was, in de vroege middeleeuwen.

“Goh!”, zeggen we dan tegen elkaar, als we even adem hebben. “Vast een oud-prof. Nog steeds vrolijk aan ’t snoepen uit de pot der verboden vruchten.”

En door zwoegen we. Zwijgend. In onze mooie pakjes.     

dinsdag 8 februari 2011

Faalangst

Mijn sportmentaliteit kan beter. Zo kan ik werkelijk prima tegen m’n verlies. Als ik zelf drie ballen in de kruising mik, maar we verliezen als team met 3-4: boeien! Vervelender nog is dat ik op veld of baan een schijtluis ben. Ik heb gevoetbald, gevolleybald en getennist, en altijd hoorde ik in no time bij de besten. Maar genieten? Ho maar. Voor iedere wedstrijd zat ik uren en uren op de pot. Stress!

Ik was de zevenkleurenschijtende Olympische bobsleestuurman van sportend Uden.

Mijn faalangst was zó groot dat ik er ooit bij de selectietraining voor het Oost-Brabantse volleybalteam (waar hebben we 't over?) heel bewust met de pet naar gegooid heb. Ik deed de hele dag mijn uiterste best iedere set-up te hard, te zacht, te hoog of te laag te spelen. En wat denk je? Precies: aan het eind van dag werd ik uitgekozen, vanwege mijn ‘natuurlijke balgevoel, spelinzicht en lengte’.

Balen.

De volgende dag heb ik de trainer gebeld. Dat ik er geen zin in had. Die man staat nu nóg met z’n mond vol tanden.

Misschien juist omdat ik het me zo goed kan voorstellen, ben ik gefascineerd door faalangst in de topsport. Het is nog een taboe, zeker in de überconservatieve voetbalwereld. Des te moediger vond ik het dat een aantal voetballers een paar jaar geleden in het prachtblad Johan meewerkte aan een reportage over faalangst. Een van hen was de huidige aanvoerder van NEC: Ramon Zomer. Hij zei toen baat te hebben bij ‘een stukje sportpsychologie’.

Iedere keer als ik hem nu zie spelen, schieten de volgende beelden door m’n hoofd.

De avond voor de wedstrijd. Daar zit ‘ie, thuis op de bank, samen met mevrouw Zomer. “Schat, dus jij vindt echt dat ik goed kan voetballen? Echt? Wil je dat dan nog één keer zeggen, alsjeblieft?” Of ’s ochtends op de wedstrijddag. Daar zit ‘ie, op de wc, moederziel alleen. De Twentsche Courant op schoot, het blijft maar komen. En komen. En komen. Knoop in de buik. Of vlak voor de wedstrijd, in de kleedkamer. Daar drentelt ‘ie. Stilzitten kan niet meer. Scheids, kan de wedstrijd beginnen? Nu, alsjeblieft? Iedere minuut wachten is uitstel van executie.

Dan is het 29 januari 2011. In het thuisduel tegen NAC Breda werkt Ramon Zomer zes (6!) seconden voor het eindsignaal de bal – heel ongelukkig, dat wel – in eigen doel. Ik zak plaatsvervangend door de grond. Dit overleeft de arme kerel niet. Maar wat zie ik, uit m’n ooghoeken? Ramon staat op, recht de schouders, trekt z’n medespelers die verslagen op de grond liggen, van de grond en bedankt keurig het publiek. Wat een sportman, wat een bikkel!

Als dit het resultaat is van een stukje sportpsychologie, overweeg ik op 36-jarige leeftijd alsnog een rentree op de velden. Het talent heb ik, de rest is maakbaar. Kijk maar naar onze eigen Ramon.

Sportend Nijmegen, here I come. 

woensdag 2 februari 2011

Warme drol

In elke grote man schuilt een klein jongetje. Dus ook in mij. Nog steeds moet ik in tien minuten zo’n vierentwintig keer naar het toilet wanneer ik iets spannends moet doen. Denk aan een gesprek leiden tussen topambtenaren, een live interview met publiek erbij, of een een-op-een gesprek met minister of staatssecretaris.

Gezonde spanning is nodig om te presteren, luidt een oude sportwet.

Of het gezond is, weet ik niet, maar spanning voel ik in elk geval genoeg.

Gek genoeg was (en ben) ik vaak het meest nerveus als ik een voetballer moet interviewen. Ik weet het nog als de dag van gisteren: m’n eerste NEC-interview. Met routinier Patrick Pothuizen. Beroep: voetballer en humorist. Voor wie ‘Potje’ niet kent: trainers zeggen dat hij belangrijk is in de groep, in de kleedkamer. Potje is van ’t type ‘ik draai even een warme drol in je voetbalschoen, haha’.

Ik keek enorm tegen ‘m op.

Tot de poort van het stadion was ik gewoon Sander Peters, begin dertig en tekstschrijver met heel wat jaartjes interviewervaring. Eenmaal in het spelershome nam het kleine jongetje in mij de regie over. Het gesprek duurde een halfuur (en dat is lang hoor, voor een voetballer) en in dat halve uur heb ik nauwelijks geluisterd en zeker twintig keer in m’n arm geknepen. ‘Het is verdorie echt waar: ik zit tegenover Pothuizen en hij praat met mij.’

Na het interview ben ik heel hard naar de wc gerend.

Juist: diarree.

Inmiddels is die spanning een beetje minder. Maar de kinderlijke trots blijft. Iedere keer als onze Poolse net-niet-spits Andrzej Niedzielan mij vriendelijk de hand schudde, werd ik warm van binnen. Elke keer als Potje in de catacomben van De Goffert al van verre naar mij riep: “Hé Sander, jongen, alles goed?, dacht ik: was A. maar hier. Dat zou vet stoer zijn. 

Het mooiste moment van al die jaren NEC? Mijn cadeau voor A.’s 27e verjaardag. Als fanatieke hobbyfotograaf mocht ze voor één keer tijdens een wedstrijd foto’s maken. Aan het veld dus. Dat was nog niet alles. Ik had Romano Denneboom, om onduidelijke redenen de favoriet van A., gevraagd een paar lieve woorden op een foto van A. te schrijven. Zoiets van: ‘Lieve A., wat leuk dat je fan van bent. Ik zal proberen te scoren voor jou. Kus Romano.”

Haha.

‘Bakvis’ A. schaamde zich kapot toen ze de foto kreeg. En ging helemaal door de grond toen ze het veld opliep en de rekkende en strekkende Romano D. haar een vette knipoog gaf. Daar moest (en moet) het kleine jongetje in mij heel hard om lachen. 

zondag 19 december 2010

Real Madrid

Over mijn voetbalcarrière kan ik kort zijn. Die kende weinig hoogtepunten. Ik denk niet dat ze bij UDI ’19 nog over Sander Peters praten. Toch heb ik tussen m’n zesde en m’n twaalfde achtereenvolgens de F1, E1 en D1 ‘gehaald’. Niet slecht voor iemand die vooral heel hard kon rennen. Zonder bal welteverstaan.

Goed, ik overdrijf een beetje: ik kan best een aardig balletje trappen. Het probleem zit meer ‘tussen de oren’. Ik ben een mietje, een watje. Of zoals ze bij NEC zeggen: een wijf zonder tieten. Als iemand met een vliegende tackle op me inglijdt, doe ik rustig een stapje opzij. Daarmee haal je de top niet, dat besef ik. Maar m’n benen en andere cruciale lichaamsdelen zijn nog wel intact. Ook belangrijk.

Behalve een mietje ben ik een dromer. Als rechterspits gingen er soms minuten voorbij zonder dat ik een bal raakte. Ik vond ‘t helemaal niet erg. Zeker zolang het zonnetje aangenaam scheen, vermaakte ik mij prima. Ik heb een rijk innerlijk leven, zeg maar. Ik was nog net niet zo’n jongetje dat bloemetjes plukte uit het gras, maar het scheelde niets. Er is meer in het leven dan voetbal, wist ik toen al.

Ook daarmee haal je de Champions League niet.

Derde obstakel op weg naar eeuwige roem is mijn voorliefde voor artistieke oplossingen in combinatie met gemakzucht. Ik denk altijd dat ik meer kan dan ik kan. Vaak komt alles op z’n pootjes terecht, en belandt de bal keurig daar waar ik het gepland had. Maar soms gaat het even heel erg fout. Vriend G. heeft een paar keer met mij gevoetbald en noemt mij sindsdien ‘Frankie. Vrij naar Frank de Boer. Die maakte ook ieder duel één slippertje, bedoelt hij dan.

Hij had net als ik een prachtige pass, reageer ik dan altijd.

Diep in m’n hart weet ik dat G. gelijk heeft. Het gebeurde me vroeger op school, en het gebeurt me nog wel eens een enkele keer, in m’n werk. Alles loopt gesmeerd, complimentje hier, schouderklopje daar en… ik verslap. Opdrachtgever minder blij; en ik boos. Op mezelf vooral. Want ik besef vrijwel onmiddellijk: had ik maar even aangezet. Dan was het goed gekomen. Of, in voetbaltermen: soms moet die bal gewoon de tribune in. Verstand op nul en bikkelen. Inderdaad, dat klinkt als NEC.

Maar ja, ik droom nog steeds van Real Madrid. Dat is het probleem! 

vrijdag 19 november 2010

De Wet van Berlusconi en Blatter

Het moet in 1990 zijn geweest. Op een snikheet marktplein in het slaperige Franse stadje Le Puy vindt de start van een Touretappe plaats. En ik ben erbij. Diezelfde ochtend heeft m’n vader een artikel uit de sportkrant l’Equipe voor mij vertaald. Het gaat – ook toen al – over doping. In het lichaam van Gianni Bugno, twee maanden eerder nog glansrijk winnaar van de Giro, is een verdacht hoge dosis cafeïne aangetroffen. De Italiaan verdedigt zich in een paginagroot interview. Zoals al zijn landgenoten drinkt hij gewoon graag een stevige espresso. Heel erg graag. Iedere ochtend giet hij er een stuk of dertien naar binnen, leest mijn vader voor. Ik knik vol bewondering. Dertien espresso’s, wat een held!

Even later treffen we Bugno aan, ontspannen zittend op een muurtje, een bekertje dampende, pikzwarte espresso aan de lippen. Hij geeft me een knipoog en  een handtekening. Op dat moment weet ik het zeker: deze stijlvolle, vriendelijke man is geen bedrieger.

Nu, twintig jaar later, ben ik heel wat illusies armer. Overal waar geld, roem en status op het spel staan, belazeren mensen de kluit. En dus gebruikt het hele peloton – net als onder meer voetballers, tennissers en schaatsers – op grote schaal doping. Dat weet ik, en ik heb er geen problemen mee. Als het maar onder medische begeleiding gebeurt. Als de sporters maar weten waar ze voor kiezen, welke risico’s ze lopen. De sport, het spektakel wordt er niet minder om. En uiteindelijk wint vrijwel altijd de beste, met of zonder doping. (Oké, behalve in het midden van de jaren ’90 toen hele volksstammen obscure Italiaantjes met hulp van EPO iedereen op een halfuur achterstand reden).

Ik moet altijd een beetje grinniken om de golf van morele verontwaardiging als er weer een nieuw schandaal opduikt. Een mooi, recent voorbeeld is het nieuws van de corruptie binnen de FIFA. Het grote publiek reageert verbaasd en geschokt; de pers nagelt de twee bedriegende bobo’s met grote woorden als criminelen aan de schandpaal. Terwijl ik denk: logisch toch? Want ook hier geldt: waar mannetjes strijden om geld, status, roem (en vrouwtjes), daar spelen ze vals.

Ook als het lelijke, kleine, dikke, kale, oude mannetjes in saaie kostuums zijn. Dat noemen we de Wet van Berlusconi en Blatter.

vrijdag 12 november 2010

Calimero Ajax

Ik kom uit een slaperig Brabants provinciestadje. Een durpske waar alle kleine jongetjes voor PSV waren. Alle jongetjes? Nee, één klein eigenwijs, betweterig etterbakkie was voor de aartsvijand uit Amsterdam. Dat kereltje was ik. Kleine Sander sliep in een Ajax-pyjama (dezelfde als die van Jack van Gelder, maar dan een paar maatjes kleiner), dronk uit een Ajax-mok en had iedere vierkante centimeter muur van z’n kamertje beplakt met posters van überheld Marco van Basten.  

De man die Ajax in Athene met een rake kopbal de Europa Cup II bezorgde. Feest!

Ieder jaar nam mijn vader, zelf die hard PSV-fan, mij mee naar Ajax-Feyenoord. Pure vaderliefde. Ondanks de stevige wandeling van de (gratis) parkeerplaats naar het Stadionplein, zaten we steevast ruim tweeënhalfuur van tevoren op ons plekje, helemaal bovenin het Olympisch Stadion. Het was de tijd van Johnny van ’t Schip, de koning van de schaar, uitgejoeld door de bijdehante Amsterdammers om z’n immer flegmatieke optreden. Het waren ook de jaren van de broertjes Witschge, van Frank Rijkaard natuurlijk, en ook van baltovenaar Bryan Roy.

Maar het was vooral het tijdperk van Marco, mijn held uit Utrecht. Onvergetelijke middagen.  

Helaas is San Marco enkele jaren geleden ongenadig hard van z’n sokkel gekukeld. Als bondscoach bleek hij niet opgewassen tegen spelers met een eigen (afwijkende) mening. Marco had en heeft liever ja-knikkers en vriendjes om zich heen. Het ultieme zwaktebod. En een grote teleurstelling voor mij. Ik dacht dat Marco als manager een stuk slimmer zou zijn.

Tegelijk met Marco’s ondergang is ook mijn onvoorwaardelijke liefde voor Ajax in rap tempo gedoofd. Laat ik er meteen bij zeggen dat dit niets van doen heeft met de mindere periode waarin Ajax al tijden vertoeft. Ik ben geen salonsupporter die alleen in goede tijden fan is van een club. Mijn liefde voor NEC spreekt wat dat betreft boekdelen.
Nee, het is de arrogantie, zo misplaatst dat het bijna lachwekkend is, die me steeds heftiger is gaan tegenstaan. De opgeklopte verwachtingen, ieder jaar weer. Maar vóór alles erger ik me rood, zwart en groen aan het eeuwige gezanik en gezever. Lukt het weer eens niet, dan ligt het altijd aan externe factoren. Aan anderen. Nooit aan de club zelf.

Hoezo bluf? Ajax staat tegenwoordig voor slappe excuses. Voor smoesjes. Ja, Ajax lijdt aan het Calimero-syndroom.   

Mooi voorbeeld van een paar weken terug. Trainer Martin Jol, die ik hoog heb zitten, durft met droge ogen te beweren dat hij tien miljoen nodig heeft om met Ajax successen te boeken. Een giller. Met spelers als Suarez, Sulejmani, De Zeeuw, El Hamdaoui, Van der Wiel en Stekelenburg moet iedere trainer bijna fluitend kampioen worden. Het is in elk geval genoeg om de Champions League te ‘halen’ en (waarom niet?) Europees te overwinteren.

Mijn ‘nieuwe held’ Mario Been selecteerde bij NEC z’n spelers (en staf) op het criterium PIT. Persoonlijkheid, Instelling en Teamspirit. Tip voor Jol: werk met je mannen eens een jaartje heel hard aan die aspecten. En houd verder je mond. Wedden dat Ajax dan in no time kampioen is? Al hoeft dat van mij echt niet meer. Eind jaren ’80 heb ik genoeg lol beleefd aan de rood-witte successen.

zondag 31 oktober 2010

Ik ben bedreigd!

Ik ben bedreigd. Via twitter. Met de dood welteverstaan. Nee, schrik niet. Het is juist goed nieuws. Fantastisch zelfs. Na Paul de Leeuw, Femke Halsema en ongetwijfeld nog een blik andere BN’ers kon ik toch niet achter blijven? Ik geef het maar eerlijk toe: het zat me al langer dwars dat niemand de moeite nam mij een poederbrief, een envelop met kogels of gewoon een doodordinaire dreigbrief te sturen. Doodsbedreigingen zijn tegenwoordig een graadmeter voor succes. Blijkbaar deed ik iets niet goed.
Maar sinds gisteren is alles anders. Ik ben nu officieel one of the guys. Het zal nu vast niet lang meer duren voor ik demonstratief mijn twitteraccount uit de lucht moet halen, omdat m’n ‘omgeving’ lijdt onder mijn activiteiten als publieke figuur. Ja, ik ben een ster in wording. Ik doe er toe!

En dat allemaal vanwege een lullige tweet over bananen. Een reconstructie.

[lees hardop met onheilspellende Jaap Jongbloed-stem] Op 30 oktober, één dag voor NEC-Vitesse (de Moeder aller Derby’s) stuurt Sander Peters (@sptekst) de volgende tweet de wereld in: “Speciale wedstrijdvoorbereiding: heb zojuist vier bananen (geel-zwart) met huid en haar opgepeuzeld! #kommaaropvitas!” Nog geen drie minuten later krijgt hij een reactie. Van ene Ruud. @Ruudsuper om precies te zijn. Hij tweet: “Ik hoop dat je er in stikt.” [einde Jaap Jongbloed-stem]

Duidelijke taal, niet? Na de eerste euforie heb ik onmiddellijk de nodige maatregelen genomen. Zo heeft mijn stoere stoppelbaardje inmiddels plaatsgemaakt voor babygladde wangetjes (geloof me, zo herkent echt niemand me). Ook verlaat ik sinds gistermiddag alleen nog in het donker mijn huis. En ga ik naar de wc, dan neem ik elke keer een andere route. Je weet immers maar nooit.
Op deze manier moet ik mijn vege lijf zien te redden totdat de AIVD definitief een nieuwe identiteit heeft geregeld. Gisteren belden ze: ik mocht kiezen. Of een leven als toyboy van Scarlett J. óf een bestaan als poenerige, patserige Arnhemmer met een skybox in het Gelredome.

Poeh, moeilijke keuze hoor, eens even héél goed nadenken… ;-) 

dinsdag 26 oktober 2010

Handen af van Het Bos!

Ik ben een mooi-weer-wielrenner (A. noemt me een ‘mietje’, maar dat is een nuanceverschil). Het gaat om het gevoel: alleen als de zon schijnt, de temperatuur boven de vijftien graden uitstijgt en de wind nauwelijks voelbaar is, beklim ik mijn racefiets. Mijn winteruitrusting - mutsje, handschoenen, windjack en overschoenen - ligt al jaren onaangeroerd boven in mijn kledingkast. Fietsen is een passie, maar het moet wel een beetje leuk blijven.  
Ja, ik ben ook een mooi-landschap-wielrenner. Is het landschap saai en desolaat, dan past mijn moraal zich onmiddellijk aan. Nooit deed ik langer over tien kilometer dan die keer langs het kanaal tussen Hardenberg en Coevorden. Ver-schrik-ke-lijk! Godzijdank woon ik in de mooiste streek van Nederland: het rijk van Nijmegen.

Misschien nog belangrijker dan weer en omgeving is de toestand van de weg. Inderdaad, ik ben een mooi-wegdek-wielrenner. De fysieke extase die zich van mij meester maakt wanneer ik over een nieuwe, gladde asfaltlaag rijd en niets anders hoor dan het zoemen van de bandjes (die natuurlijk perfect op spanning zijn), is met niets anders te vergelijken. Nou ja, met bijna niets…

Neemt allemaal niet weg dat ik oprecht kan genieten van de koers der koersen: Parijs-Roubaix. Vanuit de leunstoel - verwarming op een behaaglijke 22 graden, joggingbroek en dikke sokken aan, dampende mok warme chocolademelk bij de hand - bezie ik met genoegen het heldhaftige geploeter door regen en wind, over modderige kasseistroken, en langs mistroostige populieren, verlaten mijnschachten en smoezelige cafés vol werkloze alcoholisten. Dus zeg ik: “Organisatie, morrel niet aan dit monument. Blijf met je handen van Het Bos!”

Het moet wel een beetje leuk blijven, thuis op de bank.