Posts tonen met het label Relatie. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Relatie. Alle posts tonen

zaterdag 23 juli 2011

Echte mannen kijken naar de koers


Niets erger dan sport kijken in het bijzijn van iemand die er niets van begrijpt. Ooit aanschouwde ik noodgedwongen samen met mijn oude oma de Wimbledon-finale. Toen tovenaar Pete Sampras de bal met onvoorstelbare precisie twee centimeter achter het net deponeerde en het keurige Engelse publiek en masse uitbarstte in een angstaanjagend orgastisch gekrijs, zei  oma: “Dat is niet eerlijk. Die ander kon daar nooit bij.”

Ik ben gezegend met een sportminnende vrouw. (Dat is natuurlijk geen toeval. Hoe verliefd ik ook was en hoezeer ik verdronk in haar prachtige ogen, toch heb ik haar eerst aan een driekwartier durend kruisverhoor onderworpen.) En dus kijken wij hier thuis samen naar tennis, zwemmen, hockey en voetbal – zonder dat ze het heeft over lekkere kontjes, dito benen en de ‘heerlijke koppies’ van Luis Figo of (godbetert) Cristiano Ronaldo. Tijdens de Olympische Spelen volgen we geboeid de halve finales kruisboogschieten en de vrije kür van de dressuurpaardjes en hun ruiters.

Ik heb mijn zaakjes goed voor elkaar.

Er is één maar. Eén levensgrote maar. Mijn vrouw snapt niets van wielrennen. Goed, ze kruipt zelf geregeld op haar kekke fitnessbike voor een rondje door het Nijmeegse heuvelland. Maar de koers, dat kan haar niet boeien. Vergeten te vragen tijdens onze eerste ‘date’. Heel even had ik nog hoop, toen ik na een prille drie weken verkering op haar bank de Ronde van Vlaanderen mocht volgen en ze gezellig naast me kwam zitten. Mijn goede zin verdween echter op slag toen ze aan me ging zitten friemelen en concludeerde dat ze ‘geen uren naar hard fietsende, lelijk dunne mannetjes wilde kijken.’

Wat een ellende.  

Nu, zeven jaar en ontelbare koersen later, vormen wij nog steeds een koppel. Sterker nog: we hebben samen voor nakomelingen gezorgd. Tegenwoordig lig ik in juli met mijn twee zoons (yes!) voor de buis. De jongste snapt er ook niet al te veel van, maar dat vergeef ik hem. Hij is net acht maanden oud en meer geïnteresseerd in z’n wollige opdraaikuikentje dan in waaiers en chasses patate. De oudste kijkt wel echt mee, en stal onlangs mijn hart toen hij het peloton ontwaarde en riep: ‘Kijk, allemaal papa’s!’

Kennertje.

Nu roept ‘ie om de tien minuten dat ‘echte mannen van wielrennen houden, hè, papa?’. ‘Zeker, jongen, dat doen we’, antwoord ik. En dan pakken we elkaar heel lang en heel gelukzalig vast.

Vorige week donderde ik keihard van mijn roze wielerwolkje, toen mijn 3-jarige partner in crime net als ik op het puntje van z’n stoel een van de adembenemende massaprints volgde, en plotseling heel verbaasd kraaide: ‘Hé, papa, kijk: ze doen een wedstrijdje!’ Duidelijk een zoon van z’n mama en een kleinzoon van z’n oma. En dus heb ik vorige week m’n studentikoze zwartwit tv’tje onder het stof vandaan gehaald en aangesloten op zolder. Ik kan de gele trui niet onderscheiden van de groene, de witte en alle andere kleurrijke pakjes van de wielerploegen, het is soms ondraaglijk heet op zolder, en er staat geen bank.

Maar alles beter dan de Tour volgen te midden van een zooitje cultuurbarbaren. 

vrijdag 29 april 2011

Versierkunsten

Max is verliefd. Op T.. Ze is acht maanden ouder dan Max. Behalve lief, grappig en mooi, is T. ook een beetje geheimzinnig. Beter gezegd: onpeilbaar. T. is duidelijk een meisje met meerdere lagen, met inhoud. En met karakter. Ja, onze vent heeft smaak.
Helaas heeft hij van vrouwen verleiden minder kaas gegeten. In elk geval kiest hij in de ‘jacht’ op T. steevast de verkeerde tactiek. Vorige week, bij het kinderdagverblijf. Max en T. verlaten tegelijk het gebouw. Eenmaal buiten sprint onze vent naar de fietsenstalling en tovert met het nodige machts- en spierballenvertoon de loopfiets van T. tevoorschijn. Trots plant hij het ding voor de neus van het kleine prinsesje. Tot Max’ ontsteltenis begint T. keihard te brullen. “Dat wilde ik zel-luf doen”, snikt ze. Dikke vette krokodillentranen rollen over haar wangen. Dan smijt ze de fiets terug in het hok, om er vervolgens op te springen en keihard naar het hek aan de straat te racen.
Ze passeert Max alsof ‘ie lucht is.

T.’s moeder en ik staan er wat schaapachtig bij. Mijn hart maakte een sprongetje toen ik Max met de fiets zag zeulen, en mijn hart brak toen ik onze 2-jarige Don Juan intens beteuterd zijn lieftallige T. zag nakijken. “Schattig. Ze speelt hard to get”, grap ik nog wat ongemakkelijk tegen de moeder van T. en probeer vervolgens verwoed Max’ aandacht af te leiden van T.
Een paar dagen later, in de buurtspeeltuin. Max en tientallen andere kinderen zoeken paaseieren. Ook T. is er. Max is euforisch en volgt haar twee lange uren achtereen als een hondje. Je zou van minder krankjorem worden, maar T. lijkt er nauwelijks onder te lijden. Pas wanneer the shadow  tegelijk met z’n eigen teva’tjes ook de fraaie roze slippertjes van T. meeneemt en ze triomfantelijk en tegelijk een beetje verlegen voor haar neus neerzet, barst de bom. “Nee-hee Max, dat wil ik zel-luf doen”.
Boem. Weer de deksel op z’n neusje.
Dit gaat niet goed. Max is in sneltreinvaart bezig zijn zorgvuldig opgebouwde band met T. te vernaggelen.

Thuis neem ik onze vent apart. “Vond je het rot dat T. zo boos werd op je?”, vraag ik. Hij knikt. “Laat me je één ding vertellen, jongen. Papa heeft dezelfde fout gemaakt toen hij mama wilde versieren. De deur voor haar openhouden, haar zware tas dragen, een duwtje in de rug geven als ze de berg op fietst: allemaal niet nodig. Ook zij kon alles zelf wel. Nou vent, profiteer ervan, zou ik zeggen. Ik heb het in m’n oren geknoopt. Als mama nu aan me vraagt of ik haar kan helpen, zeg ik: maar jij kunt dat toch zel-luf?”
Max kijkt me vragend aan. Hij begrijpt er weinig van, maar mijn samenzweerderige mannen-onder-elkaar-toontje bevalt hem wel. 
Hij lacht gelukkig weer.

Kinderdagverblijf, gistermiddag. Ik haal Max op. Daar staat ’ie, op de speelplaats. T. is niet ver weg, natuurlijk. Als ik dichterbij kom, vraagt T. , op poezelige toon: “Maxi, kun jij mij helpen met het koken van de spaghetti (= grassprieten)?” Luid en duidelijk hoor ik Max antwoorden: “Maar dat kun jij toch zel-luf?”
Hij zakt neer op het bankje, in de avondzon.
Zie ik daar nou een lachje om z’n lippen?

donderdag 14 april 2011

Bloemen voor mama

Max heeft van de buurvrouw van opa en oma (!) een tractor gekregen. Of zoals z’n mama zegt: een trekker. ‘Een trektor met een bak’, roept onze vent de hele tijd. Achter het plastic racemonster hangt inderdaad een soort platte kar. Omdat ik ook ooit een menneke van twee was, schat ik het cadeau op waarde. ‘Gaaf man, die zou ik ook wel willen’, vertrouw ik Max toe. ‘Jij mag in de bak, papa’. Mooi gebaar.  

De trekker slaapt buiten en Max binnen, in bed. Het is zowat het enige moment van de dag dat de twee van elkaar gescheiden zijn. Onze vent is verknocht aan het ding; liefde op het eerste gezicht. En dus gooi ik de trekker-kar-combinatie in de auto (lang leve onze reusachtige Skoda) als ik de jongens van het kinderdagverblijf ophaal. ‘Verrassing: jij mag naar huis rijden, en papa loopt met je mee.’ Gejuich. Dan, licht bezorgd: ‘En Oletje dan? Moet die in de bak?’ Omdat Ole iedere tien seconden op z’n achterhoofd valt, lijkt dat een minder slim plan. ‘Mama gaat met Ole in de auto naar huis. Wie het eerst thuis is.’  

Onze terugreis duurt een kleine drie kwartier. Niet alleen omdat dat trappen best zwaar is met die kleine beentjes. Ook omdat letterlijk iedere paardenbloem (‘zonnebloemen!’) geplukt moet. ‘Voor mama’. ‘Prachtig, jongen, eindelijk een man die haar met verse bloemen verrast.’ Halverwege de rit. Plots een pauze.  Max zet voet aan de grond. Hij hijgt licht, veegt wat zweet van z’n voorhoofd en vraagt dan voorzichtig: 'Wij gaan winnen, hè, papa? Mama en Ole zijn nog niet thuis.’ Ik heb het hart niet om te ontkennen.

En zoef. Verder gaan we. De beentjes malen fanatiek door; de zon schijnt. Mooie momenten.  

maandag 7 maart 2011

Walging

Een miezerig mannetje in z’n zondagse pak en een te blonde vrouw in een gedurfd bloemengewaad. Ze lopen voor ons uit, de stad in. “Goed verkleed”, fluister ik bewonderend. Maar als we ze passeren, blijken ze echt. Echt als in 'verkleed als zichzelf' dus.

Carnaval in Nijmegen. De toon is gezet.

Wie het over vaderliefde heeft, heeft het deze zondag over mij. Ik heb mijn principes (lees: afschuw, fysieke pijn en diepe walging) opzijgezet, heb de hele familie in de auto gegooid en ben vol goede moed naar de optocht gescheurd. Op weg naar het centrum krijgen we achtereenvolgens Spiderman, boer Marcel en een hossende meute New Kids (bijna) onder de wielen.

Lachen man.

Max vindt de festiviteiten geweldig. A. ook. Zij is ooit Bornerbroeks jeugdprinses geweest en zoiets raak je nooit meer kwijt. De hele middag grijnzen Max en A. van oor tot oor. Gelukkig zit de kleinste Peters in mijn kamp. Bij het zien van de eerste wagen - bemand met smurfen, een Louis-van-Gaal-pop en legomannetjes met neptieten - kotst Ole prompt de hele stoep onder. Ik troost 'm met de mededeling dat het slechts eenmaal per jaar carnaval is. En dat er ergere dingen in het leven zijn.

Gelukkig vraagt hij niet welke. Ik had het antwoord schuldig moeten blijven.

Maar goed. Voor Max doe ik veel, zo niet alles. Onze kleine man vindt het allemaal even prachtig. Hij kijkt met grote ogen naar de trekkers, vecht om uitgedeelde snoepjes, en geeft iedere deelnemer van de optocht hoogstpersoonlijk een high five. De subtiele humor van de carnavalsgasten ontgaat ‘m volledig. Zo mist hij de ontelbare doldwaze toespelingen op de naam ‘Knotsenburg’ (zo heet Nijmegen dezer dagen), hij mist de mannen in vrouwenkleren die ‘Bent over, boy’ op hun billen hebben staan en – hoe jammer – hij mist het levensgrote rijdende bankstel met daarop een bierton. Een bierton? ‘Ja-haaa, wij hebben een ton op de bank’.  

Ge-ni-aal.  

Eenmaal weer thuis zetten Max, A. en Ole - de verrader! – de zoveelste polonaise in. Het brengt me in verwarring. Ik maak deel uit van een carnavalsgezin. Hoe kan dat? Waar is het misgegaan? Help!

Zoals zo vaak is een nachtje slapen de oplossing van veel ellende. Vanmorgen kwam alles weer op z’n pootjes terecht. A. wil Max omtoveren tot ridder. “Zo leuk, alle kindjes van het kinderdagverblijf zijn verkleed, Maxi.” Maar Maxi is weer de oude. En brult: “Ik denk dat niemand verkleed is, mama. Ik wil het niet!” Resoluut smijt hij de maliënkolder, het schild, de helm en het zwaard in de vuilnisemmer.  

Voor één keer juich ik deze burgerlijke ongehoorzaamheid heel hard toe. Volgend jaar gaan Max, Ole en ik op mannenvakantie, naar Tenerife of zo. Dat kun je met een beetje slechte wil ook carnaval noemen. Maar je hoeft tenminste niet verkleed. Vamos, hombres!

woensdag 2 maart 2011

Schuldig

Ik heb mezelf beloond met een dagje vrij. Een snipperdag, zoals mijn schoonvader dat nog noemt met een mooi, bijna vergeten woord. Een vrije dag begint voor mij met een dampende kop zwarte koffie en de Volkskrant. Die spel ik uit van a tot z. Zelfs de immer abominabele column van Ronald Giphart kan mijn goede humeur niet bederven.

Het voelt een beetje als vroeger. Als spijbelen.

En dan schijnt de zon ook nog.

In de krant een mooi stuk over ‘schuldige woningen’. Huizen waar zich ooit de meest vreselijke gebeurtenissen hebben afgespeeld. Het Achterhuis natuurlijk, maar ook de zolder waar Sietske H. haar vier eigenhandig gedode baby’s bewaarde, of de griezelige kelderkerker van Marc Dutroux. Zoals Armando’s ‘schuldige landschap’ passief toekeek hoe tienduizenden joden werden gedeporteerd, zo grepen ook deze huizen niet in. Ze zagen de wandaden, de wanhoop, maar zwegen. En ze zwijgen nog steeds.

Misschien vergezocht, maar ik vind het een prachtig beeld.

Ik doe dat graag: levenloze spullen een menselijk gezicht geven. Zo kan ik serieus wat weemoedig worden als ik door een grauwe volksbuurt kom, langs zo’n rijtje dichtgetimmerde huizen, en ik zie daar een auto voor de deur staan. Of ik ontdek nog net een glimp van een haveloos gordijn tussen de planken. Dan schiet het door mijn hoofd: je zult maar als auto in deze buurt terecht komen. Of: je zult maar als gordijn hier opgehangen worden. En weten: hier kom ik nooit meer weg.

Met iets meer geluk had het heel anders kunnen lopen. Beter, vrolijker, welvarender. Arme auto, arm gordijn.

Raar? A. vond van wel. De eerste keer dat ik deze gedachte met haar deelde, zag ik haar denken: kan ik deze vent nog dumpen? Gelukkig was het daarvoor te laat. Inmiddels is ze eraan gewend, en kan ze er om lachen. En soms maakt ze schaamteloos misbruik van mijn oprechte gevoelens. “Zeg sanderpeterstekst, ik wil niet heel vervelend doen, hoor, maar denk wel eens: je zult maar de broek of de wc-pot van Sander Peters zijn. Dat is nog eens een treurig bestaan. Ofwel je ligt wekenlang vies weg te rotten op een stoel, onder een berg andere kleren, of je schreeuwt dagenlang tevergeefs om een fris doekje. Arme broek, arme wc-pot.”

Ik doe nog een kansloze poging om grappig te zijn (“Je zult maar de echtgenoot van A. zijn”), maar weet dat ze gelijk heeft. Ik ga mijn broek redden en de wc-pot een beurt geven. Maar ergens vind ik het slap van mijn gewaardeerde klerenbergstoel en wc-rolhouder dat ze me niet even gewaarschuwd hebben.

Hoezo schuldig huis?!     

maandag 28 februari 2011

Sleur? Heerlijk!

J. en ik zijn nu vier maanden een stel. Geen bankstel, maar een kantoorstel. Vier maanden lang al vertoeven we minimaal drie dagen per week in elkaars nabijheid. (Ik mag van J. niet zeggen: op elkaars lip). Vier maanden lang al gooit J. tegen elf uur ’s ochtends de elfuurbanaan op m’n bureau, dekken we rond half een gezellig samen de tafel en spelen vervolgens met kinderlijk enthousiasme het vraagvandedag-spel.

Sleur? Ben je gek. Ons samenzijn verveelt nog geen moment. Mij althans niet.

Een ingespeeld team, dat zijn we. Zie ik vanuit m’n ooghoeken dat J. zich richting mijn bureau beweegt, dan houd ik gedachteloos al m’n koffiekop omhoog. Tijd om bij te tanken. Hetzelfde om een uur of twee ’s middags. Hoog tijd voor een tjokvolle mok pikzwarte koffie om de onvermijdelijke afterlunchdip de kop in te drukken. Voor mij dan. J. wil een halfje, of beter gezegd: twee derde. Dat weet ik. Ik vraag het niet eens meer.  

Heerlijk, die patronen.

Langzaam maar ontzettend zeker leren we elkaar kennen als onze broekzak. Hoe ondoorgrondelijk J. ook is, voor intimi is ze stiekem best een open boek. Trekt ze zonder een woord te zeggen slechts haar wenkbrauwen heel even omhoog, dan weet ik: foute boel. Ze denkt er het hare van. Zegt ze, terwijl ze driftig doortikt: “Ik luister wel, hoor”, dan weet ik: ze luistert niet. Geen probleem, dan wacht ik toch even met het vertellen van die hilarische dijenkletser. En heeft ze vuurrode blosjes op de wangen, dan weet ik: ze heeft het druk en is een piepklein beetje gestresst.

Tijd voor een kopje thee en, vooral, een koekje.

Onze kantoorrelatie is gebaseerd op de beginselen van Louis’ totaalvoetbal. Iedere pion weet wat z’n taak is, in elke denkbare situatie. Verrassingen zijn uitgesloten, zeker de onaangename, en dat is onze kracht. We vormen, kortom, een geoliede machine. And we love it. Ik althans wel.

Vorige week vroeg iemand: is dat niet raar, of saai, de hele dag met z’n tweetjes op zo’n kantoortje? Tja. Dan heb je er dus niets van begrepen. Ten eerste: ik ben tekstschrijver. Ik zit dus graag een hele dag achter een beeldschermpje. Maar belangrijker: ik zit graag de hele dag met iemand als J. op een kantoortje. Bescheiden als ze is, zal ze het niet willen horen (bij het lezen van deze blog zal ze slechts haar wenkbrauwen heel even omhoog bewegen), maar ik zeg het lekker toch: “J., je hebt mijn werkende leven weer kleur gegeven. Waar kan ik tekenen voor de volgende vierhonderd maanden kantoorhuwelijk?”

Goed. Genoeg veren in de spreekwoordelijke r….. Waar blijft die elfuurbanaan nou?


zaterdag 19 februari 2011

Fietszadelgate

Soms gebeuren er dingen die je niet had kunnen verzinnen. Neem afgelopen donderdag. Ik zie op twitter dat vriendin P. (althans, haar fiets) het slachtoffer is geworden van een zadeldief. Ze roept lotgenoten op aangifte te doen. Omdat mijn zadel een paar weken eerder ook ontvreemd is, op dezelfde plek, doe ik braaf mijn burgerplicht. Meteen daarna stuur ik een lollig bedoelde tweet de wereld in: ‘Ik heb me aangesloten bij het offensief tegen de geheimzinnige fietszadelfdief in Nijmegen-West’.

Een halfuurtje later. Tring. Mijn mobiel. “RTV Nijmegen hier. Ik lees dat u een collectief heeft opgericht tegen fietsendieven?” Ik leg uit dat het iets genuanceerder ligt, maar een uurtje na mijn tweet staat er een heuse cameraploeg in mijn tuin. Ze stellen me drie vragen en filmen minutenlang mijn gloednieuwe zadel. En nog eens. En nog eens. “Het is een beetje een komkommerdag vandaag”, zegt de verslaggever. Hij lacht er wat ongemakkelijk bij.

Mij maakt het niet uit. Ik heb een topdag; mijn debuut bij RTV Nijmegen is een feit.

Die avond zit ik niet met borrelnootjes voor de buis (anderen wel, begreep ik later). Ik ben op stap met A., ons maandelijkse niet-spontane, maar beregezellige avondje uit. De volgende ochtend bekijk ik het itempje op internet. Beetje jammer dat ze me een keer ‘Peter’ noemen, maar verder: geniaal. Keihard nieuws. En goeie quotes natuurlijk. “Ik kwam uit de trein, moe, het regende en toen was m’n zadel weg. Lopen dus.”

Natuurtalentje.

Ik zet het linkje meteen op twitter, facebook, linkedin en hyves. Op social media mag, nee moet je je eigen successen ongegeneerd vieren.   

Twee dagen later. A. en ik hangen op de bank. Ik zeg, een beetje nagenietend: “Gaaf was het hè, mijn tv-optreden?” A. kijkt verschrikt op. Zenuwachtig grijpt ze naar haar telefoontje. “Ik heb nog niet gekeken”, bekent ze dan. Zo gaat dat blijkbaar na drieënhalfjaar huwelijk. Samen bekijken we alsnog het filmpje. Haar reactie doet mijn lichte ergernis als sneeuw voor de zon verdwijnen. “Wat doe je dit soort dingen toch altijd goed,” zegt ze, bloedserieus. Dan, met een lachje: “En oh, oh, wat ben je een bluffer. Mij een beetje naar de fietsenmaker laten gaan en zelf met dit verhaal goeie sier maken. Ik hou van je, mafkees.”

Ja, ja. Wat passen we goed bij elkaar. A. is er voor de inhoud, ik voor de show. Ik zeg: prima geregeld!

woensdag 2 februari 2011

Warme drol

In elke grote man schuilt een klein jongetje. Dus ook in mij. Nog steeds moet ik in tien minuten zo’n vierentwintig keer naar het toilet wanneer ik iets spannends moet doen. Denk aan een gesprek leiden tussen topambtenaren, een live interview met publiek erbij, of een een-op-een gesprek met minister of staatssecretaris.

Gezonde spanning is nodig om te presteren, luidt een oude sportwet.

Of het gezond is, weet ik niet, maar spanning voel ik in elk geval genoeg.

Gek genoeg was (en ben) ik vaak het meest nerveus als ik een voetballer moet interviewen. Ik weet het nog als de dag van gisteren: m’n eerste NEC-interview. Met routinier Patrick Pothuizen. Beroep: voetballer en humorist. Voor wie ‘Potje’ niet kent: trainers zeggen dat hij belangrijk is in de groep, in de kleedkamer. Potje is van ’t type ‘ik draai even een warme drol in je voetbalschoen, haha’.

Ik keek enorm tegen ‘m op.

Tot de poort van het stadion was ik gewoon Sander Peters, begin dertig en tekstschrijver met heel wat jaartjes interviewervaring. Eenmaal in het spelershome nam het kleine jongetje in mij de regie over. Het gesprek duurde een halfuur (en dat is lang hoor, voor een voetballer) en in dat halve uur heb ik nauwelijks geluisterd en zeker twintig keer in m’n arm geknepen. ‘Het is verdorie echt waar: ik zit tegenover Pothuizen en hij praat met mij.’

Na het interview ben ik heel hard naar de wc gerend.

Juist: diarree.

Inmiddels is die spanning een beetje minder. Maar de kinderlijke trots blijft. Iedere keer als onze Poolse net-niet-spits Andrzej Niedzielan mij vriendelijk de hand schudde, werd ik warm van binnen. Elke keer als Potje in de catacomben van De Goffert al van verre naar mij riep: “Hé Sander, jongen, alles goed?, dacht ik: was A. maar hier. Dat zou vet stoer zijn. 

Het mooiste moment van al die jaren NEC? Mijn cadeau voor A.’s 27e verjaardag. Als fanatieke hobbyfotograaf mocht ze voor één keer tijdens een wedstrijd foto’s maken. Aan het veld dus. Dat was nog niet alles. Ik had Romano Denneboom, om onduidelijke redenen de favoriet van A., gevraagd een paar lieve woorden op een foto van A. te schrijven. Zoiets van: ‘Lieve A., wat leuk dat je fan van bent. Ik zal proberen te scoren voor jou. Kus Romano.”

Haha.

‘Bakvis’ A. schaamde zich kapot toen ze de foto kreeg. En ging helemaal door de grond toen ze het veld opliep en de rekkende en strekkende Romano D. haar een vette knipoog gaf. Daar moest (en moet) het kleine jongetje in mij heel hard om lachen. 

zaterdag 15 januari 2011

Billen als J-Lo

Ik ben zesendertig; de midlifecrisis staat op de stoep. Nee, er hangt (nog) geen rode broek in mijn kledingkast. Ook staat er geen protserige Harley te glimmen in onze schuur. Maar toch: de eerste signalen zijn niet te negeren. Heb ik dan een blonde maîtresse van krap 23? Ook niet, helaas. Mijn identiteitscrisis openbaart zich op een andere manier.

Ik word dik. En ik zit ermee.

De voorbije vijftien jaar ben ik bijna twintig kilo aangekomen.  

Al zag ik er op m’n eenentwintigste uit als een skelet met anorexia, toch vind ik dat best schokkend. Gelukkig is de situatie niet volledig uitzichtloos. Bij een lengte van één meter negentig is 89 kilo geen schande. Maar ja. Groei ik in dit tempo door, dan weeg ik op mijn pensioendatum een slordige 130 kilo. Geen aanlokkelijk vooruitzicht. Zeker niet als ik te zijner tijd nog in aanmerking wil komen voor een beetje appetijtelijke ‘tweede leg’.

En die 130 kilo over de golfbaan slepen? Dat is ook geen sinecure.

Dus heb ik voor het eerst in mijn leven serieus mijn eet- en leefpatroon aangepast. Minder eten (kaas vooral), minder drinken (wijn vooral) en meer sporten (wielrennen vooral). Klinkt simpel en dat is het ook. Toch blijf ik mijn omgeving aan de kop zeuren. Vooral de twee vrouwen in mijn leven, A. en J., moeten het ontgelden. “Vind jij dat ik een dik hoofd heb?”, vroeg ik A. laatst. “Och”, antwoordde ze ontwijkend, “ik hou wel van wat vlees in de kuip.”

Fijn antwoord.

De volgende ochtend op kantoor. “Zeg J., jouw vent zal dat ook wel hebben, hè, dat die vetrollen er moeilijker afgaan na z’n dertigste?” J: “Neuh, eigenlijk niet. Hij is sinds de geboorte van de kinderen alleen maar afgevallen. Maar hij is ook nog geen 36 natuurlijk.”

En bedankt J.

Omdat ik niet denk dat ik de rest van m’n leven geheel kan onthouden, en omdat kaas simpelweg een ongeneeslijke verslaving is, zijn er maar twee oplossingen. Optie a: ik word profwielrenner. Beetje laat, maar aankomen (in gewicht dan) is best lastig als je dagelijks zes uur op een fiets zit. Optie b. werd me gisteren door RTL4 in de schoot geworpen: een Amerikaans meisje liet vet uit haar buik wegzuigen en injecteren in haar kont. Ze wilde billen als J-Lo.

Dat wil ik dus ook, maar dan zonder die billen.

Hoewel? Misschien wel handig voor die eventuele tweede leg… 

vrijdag 14 januari 2011

Beest in bed

Wij mannen zijn de kwaaisten niet. Goed, we laten wel eens een vieze onderbroek slingeren. Ook komt het wel eens voor dat we over het randje van de pot piesen. Maar in wezen zijn wij zwaar oké. Ja, ik voel een sterke drang een lans te breken voor mijzelf en mijn mannenbroeders. We hebben het niet makkelijk.

Was het pakweg twintig jaar terug ruimschoots voldoende om eens per week de vuilniszakken aan de straat te zetten, nu kom je daar als man niet meer mee weg. Wil je een beetje in de smaak vallen bij de vrouwtjes, dan moet je op z’n minst een combinatie zijn van George Clooney, Leonardo da Vinci en Jamie Oliver.

Lang leve de emancipatie.

De druk op ons neemt toe. Sla maar eens een willekeurig vrouwenblad open. Gruwelijk. Die koppen! “Wat als hij in z’n vieze zweetsokken op de bank ligt en jij meer wil?” Of: “Wat als hij wéér niet mee wil naar jouw leesclubje?” Of, het allerergst: “Wat als hij na de seks in slaap valt?” De bruut.

Ja, de moderne vrouw heeft haar verlanglijstje op orde. De Perfecte Man - want die zoekt ze! – kan goed praten. Over gevoelens. Liefst de godganse dag, zonder er genoeg van te krijgen. Hij tovert bovendien binnen een kwartier vier culinaire meesterwerkjes op tafel, geeft ondertussen college over het obstinate karakter van de Bordeaux-wijn, analyseert onder het voorgerecht het verschuivende vertelperspectief in de Oost-Bosnische literatuur, en bouwt tussen de gangen gezellig legotorentjes met de kids.

En liggen die monstertjes eenmaal op twee oren, dan toont ‘ie zich een beest in bed. Maar dat is vanzelfsprekend.   

Inmiddels zijn er een paar honderdduizend hoogopgeleide vrouwen in Nederland die geen man kunnen vinden. Gek hè? Ik zou zeggen: zoek elkaar eens op. Maak het gezellig: ga lekker kletsen, kaarsjes aansteken, tapas eten en rosé drinken. Analyseer de romans van Margriet de Moor, leg knusse dingetjes op schaaltjes, koop de Ikea leeg, en zeg na de ongetwijfeld intense en tedere seks 675 keer hoeveel je van elkaar houdt. En blijf vervolgens lekker de hele nacht wakker. Veel plezier!

Dan gaan wij lekker in het vuur staren. Rust! 

woensdag 12 januari 2011

Gebrouilleerd

Deze week op jongegezinnen.nl:

Max en ik zijn gebrouilleerd. Geen idee waarom, maar sinds een paar dagen vindt hij z’n papa ‘stom’. En dus mag ik ‘m niet meer knuffelen, in bed leggen, voorlezen, kietelen, optillen en hem op z’n kop boven het toilet houden. Kortom: alles wat het vaderschap leuk maakt, is taboe.

Ik vind er geen bal aan.

Het zal ongetwijfeld weer een fase zijn - sorry, een sprongetje - maar ik ben stiekem strontjaloers op z’n mama. Die mag namelijk wel de hele dag liggen vozen met ons kleine mannetje. En dat doet ze dan ook. Veel en vaak. Als ze op de bank gaat zitten, springt Max meteen bovenop haar. Zij krijgt lebberkusjes, likzoenen en klapkussen van hem; hij wordt in z’n nekje gekriebeld door haar (“Papa, jij kriebelt veel harder dan mama”).

Het is echt de grote Max & Mama-show. De slijmballen.

De eerlijkheid gebiedt te zeggen dat A. wel moeite doet om het tij te keren. Als heuse pr-functionaris probeert ze mijn imago op te krikken. Vandaag kreeg ik een mailtje van A.: of Max mij even op het werk mocht bellen, want hij ‘vraagt de hele dag naar je’. Yeah right! Maar goed, vast lief bedoeld. Toen Max belde, riep ‘ie inderdaad de hele tijd “Wanneer kom je nou thui-uis, papa?” en “Je mag niet naar kantoor, want jij bent zoooo lief.”

Ik vermoed dat A. ‘m gehersenspoeld had. Of gemarteld. Of beide.

Het leven van de hardwerkende, kostverdienende vader gaat dus niet over rozen. Ik kan eigenlijk maar één groot voordeel aan Max’ onwaarschijnlijke mama-obsessie ontdekken: de nachten. Sinds Max en ik niet meer on fysical terms zijn, slaap ik namelijk echt goddelijk. Nachtmerrie voor Max? Ik snurk lekker verder. Paniekerig kreetje? Ik draai me nog ‘ns lekker om. “Hé, A., Max huilt, ga jij ‘m effe troosten?”

Ik bedoel: overdag een onuitstaanbaar onafscheidelijk duo? Dan ’s nachts ook. 

zondag 9 januari 2011

Paradijs

Ik had beter moeten weten. Vroeger was het immers precies zo. Dan verheugde je je tijdenlang op dat ene avondje alleen thuis (in een gezin met vijf komt zoiets niet heel vaak voor), en als puntje dan eindelijk bij paaltje kwam, was er geen ene reet aan.

Same for today.

Toen de rest van de Peters-clan vanochtend bepakt en bezakt de deur achter zich dichttrok, wreef ik me verlekkerd in de handen. Oké, ik moest keihard aan het werk, maar toch. Geen vrouw en geen kinderen in huis, dat is het paradijs. En in het paradijs mag je urenlang keihard Nirvana draaien, de hele dag in een aftandse pyjama (nee, geen huispak!) door het huis sloffen, karnemelk uit het pak drinken en… je hoeft er geen smurfenpuzzels te maken.

Feestje!

Niet dus. Na een uurtje doldwaze euforie sloeg de verveling toe. Hard en ongenadig. De oorverdovende stilte klonk zelfs door de herrie van Rammstein heen. Wat een droefenis: geen stoeipartijen met een mollige peuter, geen quality time met een baby-met-boeventronie, en geen gezellig gekissebis met mijn lieve A. Saai-aai!

Godzijdank voor dit sociale mannetje heeft iemand ooit twitter en facebook uitgevonden. Digitale gezelligheid is ook gezelligheid. Je moet toch je verhaal kwijt, hè.

Eens even kijken: het is nu 18.42 uur. Dat betekent dat ik nog precies 78 minuten een alleenstaande man ben. Dat moet volstaan om een grote pan macaroni met smac en kaas weg te werken. Het is natuurlijk niet alleen maar kommer en kwel. 

donderdag 6 januari 2011

Alleen op de wereld

“Ik denk dat ik misschien wel verliefd aan ’t worden ben”. Aldus een blije blondine gisteravond in het onvolprezen tv-programma ‘The Bachelor’. Let wel: de dame in kwestie had in de voorgaande twee maanden al een date of zes met goodlooking Jake achter de rug. Dates waarbij diepzinnige, intieme gesprekken volop afgewisseld werden met even intieme fysieke activiteiten.

En dan zegt zo’n typje dat ze ‘misschien wel verliefd aan ’t worden’ is.

Daar snap ik dus niets van.

Ik ben iemand die heel snel verliefd wordt. Als ik zes afspraakjes heb met een leuke vrouw, waarbij we én hele intiem over gevoelens praten én stevig aan elkaar friemelen, ben ik echt wel verkocht. Na date 1 al, vermoed ik. Zo werkt het nu eenmaal bij mij, gevoelsmannetje bij uitstek.

Als jongetje en puber was ik dan ook vrijwel continu verliefd. Op de momenten dat ik het niet was, had ik liefdesverdriet. Of ik maakte dat mezelf wijs, want een beetje zwijmelen is wel aan mij besteed. Zo kan ik me herinneren dat ik ooit een boekwerk vol zwartgallige gedichten schreef nadat de beeldschone M. het had uitgemaakt. Na een relatie van zeven dagen. Of ik draaide na een amoureuze domper gewoon 400 keer de cd van Nirvana. Beetje somberen, heerlijk.

Maar met écht verdriet had het natuurlijk geen ene moer te maken.

Dat besefte ik in 2002 toen mijn eerste serieuze relatie met L. na een jaartje of tien uit elkaar knalde. Ik verkaste van een fijn samenwoonhuis naar een eenzaam zolderkamertje, waar ik avond aan avond snikkend macaroni at en ‘Ne me quitte pas’  van Jacques Brel draaide. Of het echt liefdesverdriet was of de angst om alleen te zijn, dat weet ik nu nog niet. Maar ik voelde me ellendig. Vooral ’s nachts.

Het ergst voor mij als relatie- en gevoelsmens was dat ik mijn verhaal niet kwijt kon. Goed beoordelingsgesprek gehad op het werk? Niemand om dat even aan te vertellen thuis. Nieuwe kleren gekocht? Niemand om ze te showen. Plannen voor de toekomst? Niemand om ze te toetsen.

Niks ergers dan alleen zijn.

Happy singles? Ik geloof ze niet.

Gelukkig liep ik al heel snel na de breuk een aartspositieve, nuchtere en bloedmooie Twentse tegen ’t ranke lijf. We voerden goeie gesprekken, friemelden en bam, ik was verkocht. Nog steeds overigens. Het mooie is dat A. een vrouw (of nee, een man eigenlijk) van weinig woorden is. Kan ik als kletsvrouwtje lekker mijn verhalen vertellen. Goeie match!  

woensdag 5 januari 2011

Onderkinnen

Deze week op http://peuterkleuter.jongegezinnen.nl:

Bij de geboorte van je eerste kind ben je allesbehalve relaxed. Logisch: alles is nieuw, de verantwoordelijkheid van het ouderschap voelt bijna onmenselijk, en letterlijk iedereen geeft je (goedbedoelde) adviezen. In ons geval kwam daar nog bij dat kraamhulp B. nog ‘in de leer’ was. Ze hield zich angstvallig aan de regeltjes en kon ons niet – op basis van jarenlange praktijkervaring – meegeven dat kinderen wel op hun x- of o-pootjes terechtkomen.

Wat een verschil met de eerste maanden van kind 2.0!

Niet alleen hadden we met kraamhulp S. iemand met dertig jaar ervaring over de vloer (ongelooflijk, al die handige tips, hadden we dat maar eerder geweten!), maar zelf zijn we natuurlijk ook veel meer ontspannen. Misschien wel iets te, zo nu en dan. Neem de flesjesproblematiek. Ik kan me herinneren dat we bij Max regelmatig discussies hadden over 2 mililiter melk meer of minder. Het ging nergens over, maar we wogen letterlijk iedere druppel af.

Nu bij Ole ligt dat iets anders. Eigenlijk doen we maar wat. En Ole vindt het prima. Hij drinkt, drinkt en drinkt. Eigenlijk is het heel eenvoudig: een baby drinkt nooit meer dan hij op kan. Gebeurt dat wel, dan komt het eruit. Met kleine gulpjes of in enen, tegelijk met een boer om u tegen te zeggen. In feite hebben we het hier over een soort overloopventiel. De natuur regelt dat soort dingen op een prachtige manier.

Toch is het stiekem nog best een beetje spannend om naar het consultatiebureau te gaan deze week. Wij zien ook wel dat Ole in schrikbarend tempo doorgroeit. Hij werd geboren als knokig krielkipje van net drie kilo, en inmiddels staat de teller op vier hammige onderkinnetjes. Niets wijst er op dat er snel een einde komt aan z’n onwaarschijnlijke gewichtstoename.

Gelukkig is er dan altijd de levenservaring van de oma’s. Die hebben immers ook heel wat kinderen grootgebracht en weten meestal met een rake opmerking de rust in huize Peters te herstellen. Mijn moeder hoorde geduldig m’n zorgen aan en zei toen, liefjes: “Ach Sander, kijk nou eens in je eerste fotoalbum (zie foto hiernaast, sp). Het enige dat je daarin ziet is hoofd, hoofd en nog eens hoofd. Jij was ook simpelweg een enorm dikke baby. En uiteindelijk is het nog best goed gekomen.”

Dank mam, dit helpt me echt! ;-) 

woensdag 22 december 2010

Bravo Echo Delta


Max is tweeëneenhalf, maar hij praat als een zesjarige. En hij begrijpt alles, echt alles. Soms vergeet je dat wel eens, als papa. Zoals laatst bijvoorbeeld. Ik was bezig z'n luier te verschonen. Max zei, zoals altijd (en tradities moet je in ere houden, vinden wij): “Potverdikkie, papa, hoe vaak moet ik het nog zeggen: jij mag niet aan mijn piemeltje komen.” Ik zeg dan altijd: “Echt wel. Ik ben jouw papa. Jij bent van mij en jouw piemeltje dus ook.” Deze keer voegde ik er, gedachteloos mompelend, aan toe: “Je moet dat tegen vreemde meneren en mevrouwen zeggen.”

De afschuwelijke Amsterdamse zedenzaak zat blijkbaar nog in m’n achterhoofd.

Toen ik Max’ blik zag, realiseerde ik me onmiddellijk (maar helaas net te laat) dat ik een klein foutje had gemaakt. Onze vent keek me even fronsend aan en zei toen plotseling, heel blij: “Ja papa, ik ga dat zeggen tegen alle vreemde meneren en mevrouwen.” Sindsdien leef ik in een constante angst als ik met Max de deur uitga. Zul je net zien dat we op straat een vreemde meneer of mevrouw tegen het lijf lopen. Dan hebben we de poppen aan ’t dansen.

Na het scheldwoordenincident (Max die tegen een agressieve, bumperklevende automobilist vanaf de achterbank ‘Homo’ roept) had ik beter moeten weten met onze kleine papegaai. Dom. Dommer. Domst.

Een tijdje terug hebben A. en ik besloten om al te gevoelige thema’s in het Engels te bespreken. Of uit te spellen. Een beetje als in Tammy Wynette’s klassieker D.I.V.O.R.C.E., maar dan zonder de scheidingsperikelen. En dus klinken dialogen in ons huis soms als volgt: “S.H.I.T., A. zijn we B.E.E.R. weer vergeten bij het kinderdagverblijf?!” Of: “We hebben van opa en oma een cd met liedjes van K.D.R.I.E. en een dvd van de T.E.L.E.T.U.B.B.I.E.S. gekregen, maar dat moeten we misschien nog maar even niet zeggen.”

De mooiste suggestie kwam deze zomer van mijn zwager J, die sinds kort als 'Functioneel Specialist' carrière maakt in het leger. Op zijn initiatief zeggen we tegenwoordig zo rond de klok van zeven ’s avonds, uitgeput, tegen elkaar: “Pfff. Wanneer brengen we de kleine terminator naar Bravo Echo Delta.”