Posts tonen met het label Kinderen. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Kinderen. Alle posts tonen

zaterdag 8 oktober 2011

Keutels

Zoontje van drie is nog niet zindelijk, maar kan wel tellen. Dus hangt er sinds kort naast de pot een geelbruin – toepasselijk – vel papier, met daarop tien vakjes. Het systeem is even eenvoudig als rechtvaardig: poepen op de wc betekent een sticker. Tien stickers betekent een cadeautje of lekkernij naar keuze. Een ijsje dus. Of een raceauto.
Vier vakjes zijn beplakt.
Het kinderdagverblijf, gistermiddag. Ik tref zoontje van drie zittend op de wc. In jubelstemming. ‘Papa. Ik heeft zes keer gepoept!’ Tien vingers gaan de lucht in. Verbaasd gluur ik tussen z’n billetjes door in de pot.
Daar liggen ze: zes keutels. Keurig op een rij. 

donderdag 4 augustus 2011

Stereotiep

Hersenwetenschapper Dick Swaab herhaalde het afgelopen zondag enkele keren in het programma Zomergasten: ‘De vrije wil is een illusie.’ Dat die uitspraak waar is, merk ik vrijwel dagelijks. Je kunt nog zo uniek en bijzonder willen zijn, het leven is niet meer dan een aaneenschakeling van rolbevestigende clichés en biologisch voorgeprogrammeerde stereotypen.

Zeker als je kinderen hebt.

Toen ik eenmaal besloten had dat ik met A. voor nageslacht wilde zorgen, had ik maar aan één beeld voor ogen: als ik thuiskwam uit mijn werk zouden er zes mini- A’tjes - met witte staartjes, brilletjes en jurkjes - om mijn nek vliegen, terwijl ze in koor uitriepen dat ik de liefste papa van de wereld was. Hoe weinig origineel: onderzoek wijst uit dat zo’n beetje alle smoorverliefde, broedse mannen deze wens koesteren.

Het liep even anders: we kregen twee jongetjes. Weg droom van de zes chicken littles. Maar wat er in plaats daarvan niet allemaal door m ’n hoofd schoot toen Max ter wereld kwam! Een erfgenaam, de oudste zoon van de oudste zoon van de oudste zoon, dat soort onzin. Maar ook: yes, samen naar het voetbal, de f-jes trainen, met z'n tweetjes de Mont Ventoux oprijden en - nóg ietsje later hopelijk - allemaal spontane hockeymeiden aan de zondagse ontbijttafel.

Nu, een jaar of drie later, is er niets veranderd. Sterker: ik word alleen maar clichématiger. Afgelopen zondag bezocht ik met Max de open dag van NEC. Genieten. Max in een veel te groot wedstrijdshirt, maatje 'op de groei'. ‘Nu ben ik ook voetballer, papa.’ Samen op de tribune, reuzenzak chips op schoot. ‘Niet aan mama vertellen, hè, jongen’. Papa een biertje, Max een pakje drinkchocomel. Kleine handjes die op mijn arm rusten. Grote ogen, opwinding. ‘Ik wil keeper worden, papa.’

De mooiste dag van mijn leven.

Ik heb twee zoons. Wedden dat er nog heel veel mooiste dagen gaan volgen. 

zaterdag 23 juli 2011

Echte mannen kijken naar de koers


Niets erger dan sport kijken in het bijzijn van iemand die er niets van begrijpt. Ooit aanschouwde ik noodgedwongen samen met mijn oude oma de Wimbledon-finale. Toen tovenaar Pete Sampras de bal met onvoorstelbare precisie twee centimeter achter het net deponeerde en het keurige Engelse publiek en masse uitbarstte in een angstaanjagend orgastisch gekrijs, zei  oma: “Dat is niet eerlijk. Die ander kon daar nooit bij.”

Ik ben gezegend met een sportminnende vrouw. (Dat is natuurlijk geen toeval. Hoe verliefd ik ook was en hoezeer ik verdronk in haar prachtige ogen, toch heb ik haar eerst aan een driekwartier durend kruisverhoor onderworpen.) En dus kijken wij hier thuis samen naar tennis, zwemmen, hockey en voetbal – zonder dat ze het heeft over lekkere kontjes, dito benen en de ‘heerlijke koppies’ van Luis Figo of (godbetert) Cristiano Ronaldo. Tijdens de Olympische Spelen volgen we geboeid de halve finales kruisboogschieten en de vrije kür van de dressuurpaardjes en hun ruiters.

Ik heb mijn zaakjes goed voor elkaar.

Er is één maar. Eén levensgrote maar. Mijn vrouw snapt niets van wielrennen. Goed, ze kruipt zelf geregeld op haar kekke fitnessbike voor een rondje door het Nijmeegse heuvelland. Maar de koers, dat kan haar niet boeien. Vergeten te vragen tijdens onze eerste ‘date’. Heel even had ik nog hoop, toen ik na een prille drie weken verkering op haar bank de Ronde van Vlaanderen mocht volgen en ze gezellig naast me kwam zitten. Mijn goede zin verdween echter op slag toen ze aan me ging zitten friemelen en concludeerde dat ze ‘geen uren naar hard fietsende, lelijk dunne mannetjes wilde kijken.’

Wat een ellende.  

Nu, zeven jaar en ontelbare koersen later, vormen wij nog steeds een koppel. Sterker nog: we hebben samen voor nakomelingen gezorgd. Tegenwoordig lig ik in juli met mijn twee zoons (yes!) voor de buis. De jongste snapt er ook niet al te veel van, maar dat vergeef ik hem. Hij is net acht maanden oud en meer geïnteresseerd in z’n wollige opdraaikuikentje dan in waaiers en chasses patate. De oudste kijkt wel echt mee, en stal onlangs mijn hart toen hij het peloton ontwaarde en riep: ‘Kijk, allemaal papa’s!’

Kennertje.

Nu roept ‘ie om de tien minuten dat ‘echte mannen van wielrennen houden, hè, papa?’. ‘Zeker, jongen, dat doen we’, antwoord ik. En dan pakken we elkaar heel lang en heel gelukzalig vast.

Vorige week donderde ik keihard van mijn roze wielerwolkje, toen mijn 3-jarige partner in crime net als ik op het puntje van z’n stoel een van de adembenemende massaprints volgde, en plotseling heel verbaasd kraaide: ‘Hé, papa, kijk: ze doen een wedstrijdje!’ Duidelijk een zoon van z’n mama en een kleinzoon van z’n oma. En dus heb ik vorige week m’n studentikoze zwartwit tv’tje onder het stof vandaan gehaald en aangesloten op zolder. Ik kan de gele trui niet onderscheiden van de groene, de witte en alle andere kleurrijke pakjes van de wielerploegen, het is soms ondraaglijk heet op zolder, en er staat geen bank.

Maar alles beter dan de Tour volgen te midden van een zooitje cultuurbarbaren. 

vrijdag 29 april 2011

Versierkunsten

Max is verliefd. Op T.. Ze is acht maanden ouder dan Max. Behalve lief, grappig en mooi, is T. ook een beetje geheimzinnig. Beter gezegd: onpeilbaar. T. is duidelijk een meisje met meerdere lagen, met inhoud. En met karakter. Ja, onze vent heeft smaak.
Helaas heeft hij van vrouwen verleiden minder kaas gegeten. In elk geval kiest hij in de ‘jacht’ op T. steevast de verkeerde tactiek. Vorige week, bij het kinderdagverblijf. Max en T. verlaten tegelijk het gebouw. Eenmaal buiten sprint onze vent naar de fietsenstalling en tovert met het nodige machts- en spierballenvertoon de loopfiets van T. tevoorschijn. Trots plant hij het ding voor de neus van het kleine prinsesje. Tot Max’ ontsteltenis begint T. keihard te brullen. “Dat wilde ik zel-luf doen”, snikt ze. Dikke vette krokodillentranen rollen over haar wangen. Dan smijt ze de fiets terug in het hok, om er vervolgens op te springen en keihard naar het hek aan de straat te racen.
Ze passeert Max alsof ‘ie lucht is.

T.’s moeder en ik staan er wat schaapachtig bij. Mijn hart maakte een sprongetje toen ik Max met de fiets zag zeulen, en mijn hart brak toen ik onze 2-jarige Don Juan intens beteuterd zijn lieftallige T. zag nakijken. “Schattig. Ze speelt hard to get”, grap ik nog wat ongemakkelijk tegen de moeder van T. en probeer vervolgens verwoed Max’ aandacht af te leiden van T.
Een paar dagen later, in de buurtspeeltuin. Max en tientallen andere kinderen zoeken paaseieren. Ook T. is er. Max is euforisch en volgt haar twee lange uren achtereen als een hondje. Je zou van minder krankjorem worden, maar T. lijkt er nauwelijks onder te lijden. Pas wanneer the shadow  tegelijk met z’n eigen teva’tjes ook de fraaie roze slippertjes van T. meeneemt en ze triomfantelijk en tegelijk een beetje verlegen voor haar neus neerzet, barst de bom. “Nee-hee Max, dat wil ik zel-luf doen”.
Boem. Weer de deksel op z’n neusje.
Dit gaat niet goed. Max is in sneltreinvaart bezig zijn zorgvuldig opgebouwde band met T. te vernaggelen.

Thuis neem ik onze vent apart. “Vond je het rot dat T. zo boos werd op je?”, vraag ik. Hij knikt. “Laat me je één ding vertellen, jongen. Papa heeft dezelfde fout gemaakt toen hij mama wilde versieren. De deur voor haar openhouden, haar zware tas dragen, een duwtje in de rug geven als ze de berg op fietst: allemaal niet nodig. Ook zij kon alles zelf wel. Nou vent, profiteer ervan, zou ik zeggen. Ik heb het in m’n oren geknoopt. Als mama nu aan me vraagt of ik haar kan helpen, zeg ik: maar jij kunt dat toch zel-luf?”
Max kijkt me vragend aan. Hij begrijpt er weinig van, maar mijn samenzweerderige mannen-onder-elkaar-toontje bevalt hem wel. 
Hij lacht gelukkig weer.

Kinderdagverblijf, gistermiddag. Ik haal Max op. Daar staat ’ie, op de speelplaats. T. is niet ver weg, natuurlijk. Als ik dichterbij kom, vraagt T. , op poezelige toon: “Maxi, kun jij mij helpen met het koken van de spaghetti (= grassprieten)?” Luid en duidelijk hoor ik Max antwoorden: “Maar dat kun jij toch zel-luf?”
Hij zakt neer op het bankje, in de avondzon.
Zie ik daar nou een lachje om z’n lippen?

zaterdag 23 april 2011

Engel

Onze oudste smurf wordt groot. Begreep hij er vorige week nog geen jota van dat oma Grave ook de mama van z’n papa is, nu vraagt hij: “Van wie ben jij, papa? Wie zijn jouw vader en moeder? En waar is jouw oma eigenlijk?” Bij de laatste vraag aarzel ik even, maar antwoord dan naar waarheid: “Die leeft niet meer. Ze was heel oud en is nu een engel”. Dat laatste heeft hij pas gezien in een tv-serie, dus hij knikt. En denkt weer na. “Je mag mijn oma wel gebruiken, hoor.”

Terwijl ik verwoed mijn lach probeer in te houden, denk ik: tjezus, wat is ‘ie al ver, dat ‘ie dit allemaal snapt.

Dan, een paar uur later. We zitten te eten aan de picknicktafel in de tuin. Met z’n tweetjes, want A. is de stad in en Ole ligt prinsheerlijk op twee oren. Tussen twee reuzenhappen rookworst door, zegt hij plotseling: “Papa, jullie oma is  niet dood, hè? Je maakte een grapje, toch?” Ik verslik me in m’n worst en denk ondertussen koortsachtig na. Shit, dit wordt wel heel moeilijk. Wat zou Oei, ik groei hiervan zeggen? Moet ik volhouden dat mijn oma dood is, of denkt Max nu dat mijn oma ook zijn oma is? En is ‘ie nu dus heel erg bang dat zijn lieve oma Grave niet meer leeft? Hij kijkt naar me met grote ogen. “Je houdt me voor de gek, papa!” Hij lacht, opgelucht. En ik zeg: “Klopt vent, papa maakte een grap. Stom. Je hoeft echt nergens bang voor te zijn.” Ik geef ‘m een knuffel, hij leunt tegen me aan. “Jij ook niet, papa.”

Prachtig hoor, die bijdehante kinderen, maar potverdorie,  wat is dat ingewikkeld soms. En hij is nog niet eens drie… 

donderdag 14 april 2011

Bloemen voor mama

Max heeft van de buurvrouw van opa en oma (!) een tractor gekregen. Of zoals z’n mama zegt: een trekker. ‘Een trektor met een bak’, roept onze vent de hele tijd. Achter het plastic racemonster hangt inderdaad een soort platte kar. Omdat ik ook ooit een menneke van twee was, schat ik het cadeau op waarde. ‘Gaaf man, die zou ik ook wel willen’, vertrouw ik Max toe. ‘Jij mag in de bak, papa’. Mooi gebaar.  

De trekker slaapt buiten en Max binnen, in bed. Het is zowat het enige moment van de dag dat de twee van elkaar gescheiden zijn. Onze vent is verknocht aan het ding; liefde op het eerste gezicht. En dus gooi ik de trekker-kar-combinatie in de auto (lang leve onze reusachtige Skoda) als ik de jongens van het kinderdagverblijf ophaal. ‘Verrassing: jij mag naar huis rijden, en papa loopt met je mee.’ Gejuich. Dan, licht bezorgd: ‘En Oletje dan? Moet die in de bak?’ Omdat Ole iedere tien seconden op z’n achterhoofd valt, lijkt dat een minder slim plan. ‘Mama gaat met Ole in de auto naar huis. Wie het eerst thuis is.’  

Onze terugreis duurt een kleine drie kwartier. Niet alleen omdat dat trappen best zwaar is met die kleine beentjes. Ook omdat letterlijk iedere paardenbloem (‘zonnebloemen!’) geplukt moet. ‘Voor mama’. ‘Prachtig, jongen, eindelijk een man die haar met verse bloemen verrast.’ Halverwege de rit. Plots een pauze.  Max zet voet aan de grond. Hij hijgt licht, veegt wat zweet van z’n voorhoofd en vraagt dan voorzichtig: 'Wij gaan winnen, hè, papa? Mama en Ole zijn nog niet thuis.’ Ik heb het hart niet om te ontkennen.

En zoef. Verder gaan we. De beentjes malen fanatiek door; de zon schijnt. Mooie momenten.  

donderdag 31 maart 2011

Thuiskomst

Donderdagavond. Het eten is achter de kiezen. Ik ga nog even snel de stad in, voor wat praktische inkopen. A. legt de mannetjes in bed.
Rond half negen ben ik weer thuis. Als ik m’n jas ophang, hoor ik boven een stemmetje. ‘Papaaa?’ Ik ren de trap op. Fijn, Maxi is nog wakker. Even knuffelen.
Net boven het immense dekbed krult een eigenwijs blond kuifje. Twee slaperige kraaloogjes kijken me tevreden aan. “Papa, jij is teruggekomen!’, zegt mijn kereltje. En hij lacht z’n tandjes bloot. Een handje komt boven de deken uit en grijpt mijn hand.
Ik blijf nog tien minuten zitten. Zonder iets te zeggen. Max knort; hij slaapt.
En ik ben gelukkig.

vrijdag 18 maart 2011

Dilemma

In mij woedt een gevecht. Een strijd op leven en dood. Letterlijk bijna.

Ik zie het nare kuifje van pedoseksueel Robert M. in de krant. En ik lees de verhalen. Dat M. bij voorkeur kindjes tussen 0 en 2 jaar uitkoos omdat die nog niet kunnen praten. Of over de jongen van 15 die door M.’s partner werd vastgehouden, terwijl hij zijn 3-jarige broertje in de aangrenzende kamer om hun mama hoorde roepen. De kleuter werd verkracht door M.

En nog veel meer ellende. 

Ik heb twee kinderen die passen in M.’s favoriete doelgroep. De vader in mij zou de man graag eigenhandig castreren en de nek omdraaien. De geciviliseerde mens in mij zegt: ‘Het recht doet z’n werk. Vertrouw daar op.' En: 'Verlaag je nooit tot het niveau van hen die je veracht.’

Mijn god, wat een dilemma. Wat moeten de ouders van de slachtoffertjes doormaken?!    

maandag 7 maart 2011

Walging

Een miezerig mannetje in z’n zondagse pak en een te blonde vrouw in een gedurfd bloemengewaad. Ze lopen voor ons uit, de stad in. “Goed verkleed”, fluister ik bewonderend. Maar als we ze passeren, blijken ze echt. Echt als in 'verkleed als zichzelf' dus.

Carnaval in Nijmegen. De toon is gezet.

Wie het over vaderliefde heeft, heeft het deze zondag over mij. Ik heb mijn principes (lees: afschuw, fysieke pijn en diepe walging) opzijgezet, heb de hele familie in de auto gegooid en ben vol goede moed naar de optocht gescheurd. Op weg naar het centrum krijgen we achtereenvolgens Spiderman, boer Marcel en een hossende meute New Kids (bijna) onder de wielen.

Lachen man.

Max vindt de festiviteiten geweldig. A. ook. Zij is ooit Bornerbroeks jeugdprinses geweest en zoiets raak je nooit meer kwijt. De hele middag grijnzen Max en A. van oor tot oor. Gelukkig zit de kleinste Peters in mijn kamp. Bij het zien van de eerste wagen - bemand met smurfen, een Louis-van-Gaal-pop en legomannetjes met neptieten - kotst Ole prompt de hele stoep onder. Ik troost 'm met de mededeling dat het slechts eenmaal per jaar carnaval is. En dat er ergere dingen in het leven zijn.

Gelukkig vraagt hij niet welke. Ik had het antwoord schuldig moeten blijven.

Maar goed. Voor Max doe ik veel, zo niet alles. Onze kleine man vindt het allemaal even prachtig. Hij kijkt met grote ogen naar de trekkers, vecht om uitgedeelde snoepjes, en geeft iedere deelnemer van de optocht hoogstpersoonlijk een high five. De subtiele humor van de carnavalsgasten ontgaat ‘m volledig. Zo mist hij de ontelbare doldwaze toespelingen op de naam ‘Knotsenburg’ (zo heet Nijmegen dezer dagen), hij mist de mannen in vrouwenkleren die ‘Bent over, boy’ op hun billen hebben staan en – hoe jammer – hij mist het levensgrote rijdende bankstel met daarop een bierton. Een bierton? ‘Ja-haaa, wij hebben een ton op de bank’.  

Ge-ni-aal.  

Eenmaal weer thuis zetten Max, A. en Ole - de verrader! – de zoveelste polonaise in. Het brengt me in verwarring. Ik maak deel uit van een carnavalsgezin. Hoe kan dat? Waar is het misgegaan? Help!

Zoals zo vaak is een nachtje slapen de oplossing van veel ellende. Vanmorgen kwam alles weer op z’n pootjes terecht. A. wil Max omtoveren tot ridder. “Zo leuk, alle kindjes van het kinderdagverblijf zijn verkleed, Maxi.” Maar Maxi is weer de oude. En brult: “Ik denk dat niemand verkleed is, mama. Ik wil het niet!” Resoluut smijt hij de maliënkolder, het schild, de helm en het zwaard in de vuilnisemmer.  

Voor één keer juich ik deze burgerlijke ongehoorzaamheid heel hard toe. Volgend jaar gaan Max, Ole en ik op mannenvakantie, naar Tenerife of zo. Dat kun je met een beetje slechte wil ook carnaval noemen. Maar je hoeft tenminste niet verkleed. Vamos, hombres!

donderdag 24 februari 2011

Van Mubarak naar Max

De revolutie in de Arabische wereld, ik geniet er met volle teugen van. Niet van het geweld tegen al die arme drommels natuurlijk. Wel van het verschijnsel ‘macht’. Wat is macht eigenlijk? En vooral: wat is het niet? Macht bestaat slechts in de hoofden van mensen. Het is een theoretisch begrip. Je moet er in geloven, anders werkt het niet. Als degene over wie de macht wordt uitgeoefend, dit beseft en zich roert, smelt macht weg als sneeuw voor de zon.

Vraag dat maar aan Ben Ali, Mubarak en straks aan kolonel Khaddafi.

En aan A. en mij.

Wij voelen ons in de opvoeding van onze stronteigenwijze, iets te slimme en soms ronduit brutale puberpeuter Max wel eens als een roepende Mubarak in de Sinaïwoestijn. Als Max niet wil luisteren, en dan bedoel ik dus écht niet, wat dan? De pedagogische variant van ‘keihard ingrijpen door het leger’, ofwel de corrigerende tik? Liever niet, maar soms neigen we er wel naar.

Terwijl A. en ik toch echt het beste voor hebben met onze onderdanen Max en Ole.

Het lijkt of Max nu al - hij is nog geen twee jaar en negen maanden - haarfijn beseft dat ouderlijk gezag net als politieke macht niet meer is dan een leeg omhulsel. Bedacht door papa’s en mama’s om hun kroost zolang mogelijk onder de duim te houden. Dat ouders – als puntje bij paaltje komt – ook niet zomaar naar grof geschut zullen grijpen (vergeet Khaddafi). En dat je als kind meer ‘invloed’, ja zelfs ‘macht’ hebt dan je dacht.

En dus? Dus zit er voor ons net als voor de Arabische leiders niets anders op dan in te stemmen met een zekere democratisering. Geef het volk brood, spelen en het idee dat ze enige zeggenschap hebben. Maar zoek altijd een middenweg. Maak niet de onherstelbare fout door het volk volledig z’n zin te geven. Het volk is namelijk een verwend kind. En verwende kinderen walsen over je heen. Weg gezag, weg macht en weg orde en regelmaat. Voor altijd en eeuwig verloren.

Kinderen en volkeren hebben duidelijke regels en grenzen nodig. Wijze mensen moeten hierover beslissen. Dat heet parlementaire democratie. Of opvoeden.

Geert, Rita en al die andere vreselijke populistische types: are you listening? 

donderdag 3 februari 2011

Frons

Mijn hoofd past niet bij mijn karakter. Hoe vaak ik niet te horen krijg, als mensen mij voor het eerst zien, dat ik ‘vast en zeker zo’n typische macho ben’. Nou ja, meestal zeggen ze ’t pas achteraf, als ze me kennen en weten dat ik een mietje ben. Dan durven ze wel. “Ik dacht echt dat jij een arrogante pik was.”

Niet dus. Ik ben een schatje. Vraag maar aan A.

Laatst checkte ik het bij die andere vrouw met wie ik uren en uren doorbreng. J. dus. “Wat dacht jij toen je mij voor het eerst zag?” Eerlijk gezegd had ik verwacht dat ze me of een ‘bronstige aap’ vond (echt, dit heeft iemand ooit over me gezegd) of ‘gewoon’, zoals zovelen, een ongevoelige, verwaande  hufter.

Niets van dit alles. J. kon zich onze eerste ontmoeting niet herinneren.

Dat kan natuurlijk ook.

Het ‘probleem’ zit ‘m vooral in mijn gefronste wenkbrauwen. Die dragen niet bepaald bij aan een waarheidsgetrouwe eerste indruk. Ik kijk nu eenmaal van nature niet heel vrolijk en lief. De rimpel, het is meer een kloof, recht boven mijn neus spreekt boekdelen. Vriendjes en klasgenootjes dachten vroeger altijd dat ik zat te mokken. Terwijl ik aan het genieten was van een bizar grappig boek.

Nu nóg denkt A. vaak dat ik een woedende brief aan het tikken ben, terwijl ik me inwendig een rolberoerte lach om m’n eigen blogje.    

Mijn geconcentreerde blik staat standaard op onweer.  

Het grappige is dat onze hele familie ‘last’ heeft van De Frons. Gisteravond zaten we met z’n viertjes op de bank; op tv haalde de roze panter vreemde capriolen uit. Erg komisch, vinden wij hier thuis, al zou je dat niet zeggen. Ik keek opzij en moest lachen om het 'gezellige' familietafereeltje dat ik zag: drie paar gefronste wenkbrauwen (ja, ook Ole kan het al). Alsof we naar de begrafenis van Tommie, Pino en Ieniemienie keken.

Goed, mensen weten dan misschien niet dat wij in wezen allemaal hartstikke aardig, lief en schattig zijn. Maar de Peters-Frons heeft één levensgroot voordeel: wij lijken in elk geval niet spontaan. Jeuj! 

donderdag 27 januari 2011

Trekhaas

Deze week (voor het laatst!) op http://peuterkleuter.jongegezinnen.nl:

Max heeft eng gedroomd en mag bij papa en mama in ‘het grote bed’ slapen. Dat is natuurlijk een feest, dus van slapen komt niet veel. Op een gegeven moment hoor ik A. zeggen: “Au! Je geeft me toch geen kopstoot, Max. Dat soort dingen doe je maar bij je papa.” Nog geen seconde later krijgt papa een keiharde kopstoot, recht op z’n neus. A. bedankt!

Les 1: kinderen nemen alles letterlijk.

Nog een voorbeeld: ik bel van kantoor naar huis. Nadat ik A. heb gesproken, krijg ik Max nog even aan de telefoon. “Papa?”, hoor ik voorzichtig. “Hé, Maxi, ben jij dat? Wat leuk. Wat ben je aan het doen?” Het is even stil aan de andere kant, ik hoor ‘m denken. “Aan het bellen, met jou”, zegt ‘ie dan, met in z’n stem een mengeling van verbazing en lichte ergernis over zoveel domheid. Duh-uh.

1-0  voor Max.

Ik kan ontzettend genieten van dit soort dialogen met onze kletsgrage peuter. Kinderen hebben een feilloos geheugen en nemen moeiteloos en na één keer horen, complete zinsneden in zich op. Of die  nu van tv afkomstig zijn of van papa en mama. Vorige week, tijdens het eten. Max mikt doperwtjes in de bloemenvaas die op de eettafel staat. A. kijkt Max dreigend aan, de wenkbrauwen in een strenge frons. Geloof me: er zijn mensen die voor minder in hun broek poepen. Max is echter niet onder de indruk. Hij kijkt brutaal terug en zegt dan, in een prachtige imitatie van z’n papa: “Zeg. Je bent me toevallig toch niet aan het uitdagen, hè?!”

Geniaal.

Soms gaat het ook wel eens mis met onze 2-jarige ouwehoer. Gisteren bijvoorbeeld. Ik til het fietsenrek van de auto. Max staat erbij en kijkt ernaar. Geboeid. Ernstige blik. Dan zegt hij tegen A. en mijn vader: “Mijn papa’s auto heeft een trekhaas (= trekhaak).”

woensdag 12 januari 2011

Gebrouilleerd

Deze week op jongegezinnen.nl:

Max en ik zijn gebrouilleerd. Geen idee waarom, maar sinds een paar dagen vindt hij z’n papa ‘stom’. En dus mag ik ‘m niet meer knuffelen, in bed leggen, voorlezen, kietelen, optillen en hem op z’n kop boven het toilet houden. Kortom: alles wat het vaderschap leuk maakt, is taboe.

Ik vind er geen bal aan.

Het zal ongetwijfeld weer een fase zijn - sorry, een sprongetje - maar ik ben stiekem strontjaloers op z’n mama. Die mag namelijk wel de hele dag liggen vozen met ons kleine mannetje. En dat doet ze dan ook. Veel en vaak. Als ze op de bank gaat zitten, springt Max meteen bovenop haar. Zij krijgt lebberkusjes, likzoenen en klapkussen van hem; hij wordt in z’n nekje gekriebeld door haar (“Papa, jij kriebelt veel harder dan mama”).

Het is echt de grote Max & Mama-show. De slijmballen.

De eerlijkheid gebiedt te zeggen dat A. wel moeite doet om het tij te keren. Als heuse pr-functionaris probeert ze mijn imago op te krikken. Vandaag kreeg ik een mailtje van A.: of Max mij even op het werk mocht bellen, want hij ‘vraagt de hele dag naar je’. Yeah right! Maar goed, vast lief bedoeld. Toen Max belde, riep ‘ie inderdaad de hele tijd “Wanneer kom je nou thui-uis, papa?” en “Je mag niet naar kantoor, want jij bent zoooo lief.”

Ik vermoed dat A. ‘m gehersenspoeld had. Of gemarteld. Of beide.

Het leven van de hardwerkende, kostverdienende vader gaat dus niet over rozen. Ik kan eigenlijk maar één groot voordeel aan Max’ onwaarschijnlijke mama-obsessie ontdekken: de nachten. Sinds Max en ik niet meer on fysical terms zijn, slaap ik namelijk echt goddelijk. Nachtmerrie voor Max? Ik snurk lekker verder. Paniekerig kreetje? Ik draai me nog ‘ns lekker om. “Hé, A., Max huilt, ga jij ‘m effe troosten?”

Ik bedoel: overdag een onuitstaanbaar onafscheidelijk duo? Dan ’s nachts ook. 

zondag 9 januari 2011

Paradijs

Ik had beter moeten weten. Vroeger was het immers precies zo. Dan verheugde je je tijdenlang op dat ene avondje alleen thuis (in een gezin met vijf komt zoiets niet heel vaak voor), en als puntje dan eindelijk bij paaltje kwam, was er geen ene reet aan.

Same for today.

Toen de rest van de Peters-clan vanochtend bepakt en bezakt de deur achter zich dichttrok, wreef ik me verlekkerd in de handen. Oké, ik moest keihard aan het werk, maar toch. Geen vrouw en geen kinderen in huis, dat is het paradijs. En in het paradijs mag je urenlang keihard Nirvana draaien, de hele dag in een aftandse pyjama (nee, geen huispak!) door het huis sloffen, karnemelk uit het pak drinken en… je hoeft er geen smurfenpuzzels te maken.

Feestje!

Niet dus. Na een uurtje doldwaze euforie sloeg de verveling toe. Hard en ongenadig. De oorverdovende stilte klonk zelfs door de herrie van Rammstein heen. Wat een droefenis: geen stoeipartijen met een mollige peuter, geen quality time met een baby-met-boeventronie, en geen gezellig gekissebis met mijn lieve A. Saai-aai!

Godzijdank voor dit sociale mannetje heeft iemand ooit twitter en facebook uitgevonden. Digitale gezelligheid is ook gezelligheid. Je moet toch je verhaal kwijt, hè.

Eens even kijken: het is nu 18.42 uur. Dat betekent dat ik nog precies 78 minuten een alleenstaande man ben. Dat moet volstaan om een grote pan macaroni met smac en kaas weg te werken. Het is natuurlijk niet alleen maar kommer en kwel. 

woensdag 5 januari 2011

Onderkinnen

Deze week op http://peuterkleuter.jongegezinnen.nl:

Bij de geboorte van je eerste kind ben je allesbehalve relaxed. Logisch: alles is nieuw, de verantwoordelijkheid van het ouderschap voelt bijna onmenselijk, en letterlijk iedereen geeft je (goedbedoelde) adviezen. In ons geval kwam daar nog bij dat kraamhulp B. nog ‘in de leer’ was. Ze hield zich angstvallig aan de regeltjes en kon ons niet – op basis van jarenlange praktijkervaring – meegeven dat kinderen wel op hun x- of o-pootjes terechtkomen.

Wat een verschil met de eerste maanden van kind 2.0!

Niet alleen hadden we met kraamhulp S. iemand met dertig jaar ervaring over de vloer (ongelooflijk, al die handige tips, hadden we dat maar eerder geweten!), maar zelf zijn we natuurlijk ook veel meer ontspannen. Misschien wel iets te, zo nu en dan. Neem de flesjesproblematiek. Ik kan me herinneren dat we bij Max regelmatig discussies hadden over 2 mililiter melk meer of minder. Het ging nergens over, maar we wogen letterlijk iedere druppel af.

Nu bij Ole ligt dat iets anders. Eigenlijk doen we maar wat. En Ole vindt het prima. Hij drinkt, drinkt en drinkt. Eigenlijk is het heel eenvoudig: een baby drinkt nooit meer dan hij op kan. Gebeurt dat wel, dan komt het eruit. Met kleine gulpjes of in enen, tegelijk met een boer om u tegen te zeggen. In feite hebben we het hier over een soort overloopventiel. De natuur regelt dat soort dingen op een prachtige manier.

Toch is het stiekem nog best een beetje spannend om naar het consultatiebureau te gaan deze week. Wij zien ook wel dat Ole in schrikbarend tempo doorgroeit. Hij werd geboren als knokig krielkipje van net drie kilo, en inmiddels staat de teller op vier hammige onderkinnetjes. Niets wijst er op dat er snel een einde komt aan z’n onwaarschijnlijke gewichtstoename.

Gelukkig is er dan altijd de levenservaring van de oma’s. Die hebben immers ook heel wat kinderen grootgebracht en weten meestal met een rake opmerking de rust in huize Peters te herstellen. Mijn moeder hoorde geduldig m’n zorgen aan en zei toen, liefjes: “Ach Sander, kijk nou eens in je eerste fotoalbum (zie foto hiernaast, sp). Het enige dat je daarin ziet is hoofd, hoofd en nog eens hoofd. Jij was ook simpelweg een enorm dikke baby. En uiteindelijk is het nog best goed gekomen.”

Dank mam, dit helpt me echt! ;-) 

woensdag 22 december 2010

Bravo Echo Delta


Max is tweeëneenhalf, maar hij praat als een zesjarige. En hij begrijpt alles, echt alles. Soms vergeet je dat wel eens, als papa. Zoals laatst bijvoorbeeld. Ik was bezig z'n luier te verschonen. Max zei, zoals altijd (en tradities moet je in ere houden, vinden wij): “Potverdikkie, papa, hoe vaak moet ik het nog zeggen: jij mag niet aan mijn piemeltje komen.” Ik zeg dan altijd: “Echt wel. Ik ben jouw papa. Jij bent van mij en jouw piemeltje dus ook.” Deze keer voegde ik er, gedachteloos mompelend, aan toe: “Je moet dat tegen vreemde meneren en mevrouwen zeggen.”

De afschuwelijke Amsterdamse zedenzaak zat blijkbaar nog in m’n achterhoofd.

Toen ik Max’ blik zag, realiseerde ik me onmiddellijk (maar helaas net te laat) dat ik een klein foutje had gemaakt. Onze vent keek me even fronsend aan en zei toen plotseling, heel blij: “Ja papa, ik ga dat zeggen tegen alle vreemde meneren en mevrouwen.” Sindsdien leef ik in een constante angst als ik met Max de deur uitga. Zul je net zien dat we op straat een vreemde meneer of mevrouw tegen het lijf lopen. Dan hebben we de poppen aan ’t dansen.

Na het scheldwoordenincident (Max die tegen een agressieve, bumperklevende automobilist vanaf de achterbank ‘Homo’ roept) had ik beter moeten weten met onze kleine papegaai. Dom. Dommer. Domst.

Een tijdje terug hebben A. en ik besloten om al te gevoelige thema’s in het Engels te bespreken. Of uit te spellen. Een beetje als in Tammy Wynette’s klassieker D.I.V.O.R.C.E., maar dan zonder de scheidingsperikelen. En dus klinken dialogen in ons huis soms als volgt: “S.H.I.T., A. zijn we B.E.E.R. weer vergeten bij het kinderdagverblijf?!” Of: “We hebben van opa en oma een cd met liedjes van K.D.R.I.E. en een dvd van de T.E.L.E.T.U.B.B.I.E.S. gekregen, maar dat moeten we misschien nog maar even niet zeggen.”

De mooiste suggestie kwam deze zomer van mijn zwager J, die sinds kort als 'Functioneel Specialist' carrière maakt in het leger. Op zijn initiatief zeggen we tegenwoordig zo rond de klok van zeven ’s avonds, uitgeput, tegen elkaar: “Pfff. Wanneer brengen we de kleine terminator naar Bravo Echo Delta.”

donderdag 9 december 2010

Stinkerds

Deze week op http://peuterkleuter.jongegezinnen.nl

Wij mochten thuis niet opscheppen. Ja, wel aardappels, vlees en groente natuurlijk. Maar pochen was uit den boze in huize Peters. “Het stinkt hier”, zei mijn moeder als iemand het aandurfde zichzelf op de borst te kloppen. Voor mij vormde het opschepverbod geen groot probleem; tot m’n achttiende was ik een überonzekere muppet. Het liefst droeg ik grijze kleren, ik stond altijd achteraan bij groepsfoto’s, en voor iedere spreekbeurt deed ik het vier keer in m’n broek.

Ik vond muurbloempjes al vet stoer. Kun je nagaan.

Sinds ik onder moeders vleugels uit ben, trek ik me weinig meer van deze regel aan. Ik ben ouder en zelfverzekerder geworden. En dat draag ik graag uit. ‘Ik ben OK. Ik mag er zijn’, zoiets. Het maakt het leven een stuk leuker. De brutale (en zelfverzekerde) heeft immers de halve wereld.

Wie zich ook niets aantrekken van het opschepverbod, zijn mijn ouders zelf. Sinds de geboorte van kleinkind 1.0 lappen opa en oma stelselmatig hun eigen regels aan de laars. Het toilet is omgetoverd tot een expositieruimte, tjokvol foto’s van Max en Ole. Plassen en poepen zonder pottenkijkers lukt niet meer.
Iedere keer als ze Max thuis afleveren na de wekelijkse oppasdag, plannen wij een halfuurtje in om geduldig de sterke verhalen en onwaarschijnlijke anekdotes aan te horen. En wanneer opa en oma naar de repetitie van een van hun zeven koren gaan, dragen ze steevast een uitvouwbaar mapje met 652 foto’s bij zich van de kleinzoons. Alle koorvrienden en –vriendinnen weten alles van de kleinste Peters-mannen.

Begrijp me niet verkeerd: ik vind het hartstikke leuk dat m’n ouders zo trots zijn op Max en Ole. Ontroerend ook. Maar tegelijk rijst de vraag: wanneer gaat het te ver? Er komt een moment dat ik moet ingrijpen als ik opa en oma naar het fotomapje zie grijpen. Of als ik weer eens nietsvermoedend op de wc plaatsneem en Max en Ole me van nóg meer kanten toegrijnzen. “Het stinkt hier”, zeg ik dan. “En voor één keer heeft dat niets met mij van doen.”

maandag 29 november 2010

Knappe venten

Deze week op http://peuterkleuter.jongegezinnen.nl

Wanneer ik niet voor papa speel, ben ik journalist schuine streep tekstschrijver. Een tijdje terug interviewde ik in die hoedanigheid een mevrouw die lid was van Mensa. Voor wie geen lid is: Mensa is de vereniging voor hoogbegaafden.

Ik zat me tijdens het gesprek al te ergeren toen ze me vertelde over de eis die Mensa aan wannabe leden stelt: een IQ van 130 of hoger, vast te stellen via een thuistest op www.mensa.nl (mensen, doe me een lol: vul die test in en mail me de uitslag). Toen de vrouwelijke Einstein vervolgens ook nog zonder blikken of blozen vertelde dat ze zo blij was dat de ‘leden elkaar pas écht begrijpen’, werd het me te veel. Ik mompelde iets als: dat mag ik hopen met zo’n IQ en maakte zo snel mogelijk een eind aan het gesprek.

Elitair geneuzel. Bah.

Borstklopperij omdat je toevallig veel hersenen hebt, daar ben ik dus allergisch voor. Ik was dan ook zacht gezegd niet blij toen Max zich daar laatst ook aan bezondigde. Letterlijk riep onze vent tegen M. de kraamhulp: “Ik is héél slim.” Je kunt je afvragen hoe slim iemand is die de eerste en derde persoon enkelvoud niet van elkaar kan onderscheiden, maar dat terzijde. Ik heb Max meteen duidelijk gemaakt dat ik dit niet wil hebben. Ok, hij is een vlotte prater. Ok, hij telt moeiteloos tot drieëntwintig. Maar dan nog: je hoeft niet met je herseninhoud te koop te lopen. Zeker niet als broekie van twee jaar en vijf maanden die nog in z’n broek plast. Dan past bescheidenheid.

En laat dát nou net niet het sterkste punt zijn van Max. (Volgens A. heeft ‘ie dat van z’n vader, maar ook dat terzijde.)

Gisteren liepen mijn oudste zoon en ik hand in hand naar de kinderboerderij. Het vroor dat het kraakte; de zon scheen. Max keek me fronsend en met half dichtgeknepen aan. Plotseling stond hij stil en vertrouwde me toe: “Papa, jij is een knappe vent.” Ontroerd keek ik hem aan. “Dank je wel jongen, dat is lief.” Het was even stil. Toen constateerde onze peuter doodleuk: “Dan bent wij allebei knappe venten.”

Knap geredeneerd, niet? Hij is toch wel heel slim, die Max van ons. 


donderdag 18 november 2010

Peter Sanders

Mijn oma was verzot op taalspelletjes en woordspelingen. Vooral rare namen (en naamcombinaties) hadden haar grote belangstelling. Iedere dag spelde ze verlekkerd de geboorte- en rouwadvertenties in de krant uit. De mooiste voorbeelden schreef ze vervolgens in een schrift. Dat ene schriftje werden al snel twee schriftjes; uiteindelijk heeft ze er een stuk of zes, zeven vol gepend. Na haar dood heb ik er even in zitten bladeren. 

Hoogtepuntje uit de collectie: de heer W.C. Bril. Een even prachtige als sadistische vondst van de ouders.

Ik ben erfelijk belast. Ook ik ben gefascineerd door grappige, opvallende of ronduit bizarre namen. Zo moet ik altijd heel hard lachen om vaders die de naam van hun kind vergeten bij de balie van de burgerlijke stand. Of vaders die de naam verhaspelen. Neem oud-NEC’er Van Beukering: die gaat door een foutje van papa als Jhonny door het leven. Geniaal.
Om dit soort ellende te voorkomen, was ik bij de geboorteaangifte van Max scherp als een mes. En terecht, want het scheelde weinig of de vriendelijke ambtenaar had het accentje in de naam Ramón op de ‘n’ in plaats van de ‘o’ gezet. En ook bij de aangifte van Ole was er sprake van enige verwarring. De dame aan de andere kant van het loket: “Hoe zegt u? Olle?” Ik: “Nee, Oooo-le”. Zij weer: “Oh. Olé dus?”

Zo ging het nog even door. Uiteindelijk staat Ole’s naam correct in het geboorteregister. Maar het heeft wat voeten in de aarde gehad.

Inmiddels blijkt deze gemeenteambtenaar niet de enige die moeite heeft met de naam Ole. Tot onze verbazing dachten hele volksstammen dat we op het geboortekaartje hadden geschreven: Olé, Jonas is geboren. Ook leuk natuurlijk, maar niet onze insteek. Voor eens en altijd: het is dus Ole. Zonder dubbele ‘l’, zonder accent. Gewoon, op z’n Deens. Maar dan zonder raar Scandinavisch streepje door de ‘o’.
Of mijn namenfetisjisme iets te maken heeft met mijn eigen doorsneenaam, weet ik niet. Zeker is dat ik niet erg vrolijk word van de weinig originele combinatie Sander Peters. Ik geloof dat er alleen al in Nijmegen en omstreken al zo’n zes Sander Petersen rondlopen. Dat moeten er in heel Nederland al snel enkele tientallen zijn. Raar idee, al ben ik natuurlijk wel de knapste, slimste, grappigste en breedste Sander Peters.

O ja. En wie denkt dat elk nadeel z’n voordeel heb en dat er over mijn naam in elk geval geen babylonische spraakverwarring ontstaat: wel dus. Hoe vaak ik niet Peter Sanders genoemd word...

donderdag 11 november 2010

Turbopeuter

Deze week op http://peuterkleuter.jongegezinnen.nl:

Moeder en jongste zoon zijn weer thuis. Gezond en wel godzijdank. De nietjes zijn uit A.’s buik gepulkt, Ole heeft de eerste vuilnisemmer met luiers volgepoept, en de ergste hausse aan beschuit met muisjes is achter de kiezen. Kortom: de rust is weergekeerd. Loopjongen Sander heeft tijd voor reflectie.

In sportjournalistieke termen: wat gaat er door je heen, papa? Nou, blijdschap, dat op de eerste plaats. Maar ook een intens gevoel van opluchting. Het valt eigenlijk reuze mee om twee kinderen te hebben.

Bekentenis: toen de geboorte van Ole naderde, werd ik wat onrustig. We hadden hier al een grote boef op twee beentjes rondlopen en toen Max 2.0 zich aandiende, werd ik zo nu en dan gekweld door gruwelijke visoenen van een soort Stampertjesfamilie. Ja, dat bracht wel enige spanning met zich mee. Geheel onterecht, blijkt nu. Ole is een modelbaby. Anders gezegd: hij slaapt veel. Heel erg veel. Oké, eigenlijk bijna altijd. Heerlijk! Misschien nog belangrijker: terminator Max ontpopt zich tot modelbroer. Hij helpt waar nodig, kriebelt en kroelt Ole vaak en lief (en ja, soms ook onbenullig lomp), en onze turbopeuter zit er totaal niet mee dat de rest van de familie tijdelijk z’n kamertje heeft geannexeerd.

Onze Max is een supersociaal kereltje!  

Wat natuurlijk ook scheelt, is mijn eigen ervaring. Net na de geboorte van Max moesten we de kraamhulp maar op haar blauwe ogen geloven dat die kleine paarse krielkip zou gaan uitgroeien tot een kerngezonde peuter. Nou, het levende bewijs wandelt, nee ragt iedere dag door ons huis. En dus maak ik me nu geen zorgen meer over het feit dat de knietjes van Ole dikker zijn dan de rest van z’n benen. Of als opa zegt dat ‘ie “sprekend op Maarten ’t Hart lijkt.”

Trekt allemaal bij.

Toch zit er heel diep, ergens heel ver weg in m’n achterhoofd, nog een piepkleine vorm van bezorgdheid. Max 1.0 namelijk werd in z’n eerste levensweek door de kraamhulp ook uitgeroepen tot modelkind!

En we weten hier allemaal dondersgoed hoe die kleine pipo opgedroogd is. ;-)