Posts tonen met het label Samenleving. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Samenleving. Alle posts tonen

woensdag 10 augustus 2011

Wilskrachtproblematiek


Ik werk aan een artikel over keuzes maken. Op welke gronden nemen mensen een besluit: rationeel of juist niet? En: in hoeverre kan de overheid als big brother die keuzeprocessen sturen?
Een van de geïnterviewden laat de term wilskrachtproblematiek vallen. Dat herken ik. Ook ik heb last van een zekere vorm van wilskrachtproblematiek. Vooral als het gaat om de belangrijke dingen in het leven: eten, drinken en slapen. Eenmaal begonnen, ben ik niet meer te stoppen.

Ik ben een slappe zak. Maar wel een gezellige. Op feestjes doe ik het licht uit.

Slechts in één opzicht ben ik een heuse controlefreak. Ik haat het als mensen iets weten wat ik niet weet. Of erger: als ik iets moet beslissen, terwijl niemand mij wil of kan uitleggen hoe de vork precies in de steel zit. Dat maakt me razend. 
Een voorbeeld: verzekeringen, pensioenen en hypotheken. Belangrijke keuzes, met verstrekkende gevolgen, maar niemand die duidelijkheid kan scheppen. Waar je ook je licht opsteekt: iedereen hult zich in nevelen. Of in duur jargon.
Zelfde met auto’s. Ik wil een auto die niet te duur is, die rijdt en die blijft rijden. Helaas kan ik dat zelf niet beoordelen. En dus ben ik overgeleverd aan autoverkopers. Aan snelle, gebruinde mannen of norse, mompelende mannen met sigarettenpeuken in de mondhoek. Die dingen zeggen als: “Er kan natuurlijk altijd iets kapot gaan aan een auto.” En: “Zekerheid heb je nooit.”

Wat het nog erger maakt: kiezen is tegenwoordig aan de orde van de dag. Niet alleen biedt Albert Heijn minimaal vijftien verschillende soorten exotische diepvriesmaaltijden, ook moeten we zelf een zorgpolis kiezen, een energieleverancier, een mobiele telefoonprovider, en een van de driehonderdvierentwintig soorten online hoogrentende spaarrekeningen.
Ik geef het op. Ik wil er domweg geen verstand van hebben. Kon ik maar terug. Terug naar de tijd ver voor ik geboren werd. Toen we allemaal hetzelfde vaste bedrag aan hetzelfde pensioenfonds afdroegen, toen we allemaal een fijn overzichtelijke annuïteitenhypotheek hadden, en toen de PNEM, PGEM en nog wat van zulke ouderwets degelijke overheidsinstanties ons van gas, water en licht voorzagen. 

Ik zeg: overheid, lieve big brother: beslis voortaan maar lekker voor mij. Als we dan toch het financiële-crisisschip ingaan, dan gezellig met z’n allen. Gedeelde smart…  

donderdag 7 juli 2011

Modelburger

Ik zal het maar eerlijk zeggen: lange tijd was ik niet echt een modelburger. Verre van, in feite. Ik was eerder een uitvreter, een profiteur, ja, misschien wel een echte aso. Niet dat ik dagelijks mijn vrouw en kinderen tegen de keukenkastjes sloeg, of zielige oude vrouwtjes van hun tasjes beroofde.  Nee, onzichtbaar voor de rest van de wereld gedroeg ik me als de eerste de beste patjepeeër. Ik dook weg achter onze Ikea-bank als ik een collectant voor de deur zag staan, ik gooide oud papier en aardappelschillen in de prullenbak, en als ik niet moest werken of vaderen, deed ik leuke dingen.

Leuk voor mijzelf dus, niet voor anderen.

Dat was vroeger.

Gisteravond lag ik in bed na te denken over het leven. Dat doe ik altijd. Meestal val ik dan na anderhalve minuut uitgeput in slaap, maar gisteren veerde ik ineens op. Plots drong het tot me door, in volle kracht: ik mag er zijn, ik doe er toe. Ik ben een modelburger geworden. Type ideale schoonzoon.
 
Ik ben OK.

Ga maar na. Tegenwoordig doe ik aan goede doelen. Ik doe netjes de deur open voor vriendelijke collectebusmevrouwtjes en geef ze altijd met een welgemeende glimlach een paar euro. Ik kan het missen. Ook gaat er iedere maand een vast bedrag vanaf de rekening van sanderpeterstekst naar een stichting die iets heel belangrijks voor zieke kinderen doet. Maatschappelijk verantwoord ondernemen, heet dat.

Dat is nog niet alles.

Ik scheid tegenwoordig afval. Nou ja, volgens A. nog niet op voldoende grote schaal, maar toch. Er gaan steeds minder oude kranten in de vuilnisbak en steeds meer plastic verpakkingen in de daarvoor bestemde plasticverpakkingenvuilniszakken. Ook vind ik duurzaamheid ineens belangrijk; we nemen onze energie af bij GreenChoice, we eten steeds vaker biologische kalfjes en lammetjes (lekker sappig), ik fiets nog slechts naar de supermarkt en ik schrijf graag over onderwerpen op het snijvlak van duurzaamheid, innovatie en samenleving.

Er is (nóg) meer.

Naast mijn goedbetaalde werk als tekstschrijver en mijn drukke leven als vader van twee boeven (0 en 3) en als partner van een carrièrevrouw, ben ik een heuse vrijwilliger geworden. Ik blog gratis en voor niets voor een veelgelezen en -geprezen wielersite (oké, dat is een hobby, maar toch, ik verschaf er mensen plezier mee), ik heb me weer laten overhalen als onbezoldigd eindredacteur van de NEC-krant op te treden, én ik ben voorzitter van de oudercommissie van het kinderdagverblijf.

Ik ben geworden aan wie ik vroeger altijd een hekel had. And I love it.   

vrijdag 18 maart 2011

Dilemma

In mij woedt een gevecht. Een strijd op leven en dood. Letterlijk bijna.

Ik zie het nare kuifje van pedoseksueel Robert M. in de krant. En ik lees de verhalen. Dat M. bij voorkeur kindjes tussen 0 en 2 jaar uitkoos omdat die nog niet kunnen praten. Of over de jongen van 15 die door M.’s partner werd vastgehouden, terwijl hij zijn 3-jarige broertje in de aangrenzende kamer om hun mama hoorde roepen. De kleuter werd verkracht door M.

En nog veel meer ellende. 

Ik heb twee kinderen die passen in M.’s favoriete doelgroep. De vader in mij zou de man graag eigenhandig castreren en de nek omdraaien. De geciviliseerde mens in mij zegt: ‘Het recht doet z’n werk. Vertrouw daar op.' En: 'Verlaag je nooit tot het niveau van hen die je veracht.’

Mijn god, wat een dilemma. Wat moeten de ouders van de slachtoffertjes doormaken?!    

woensdag 9 maart 2011

Ei- en zaadcelletjes, bedankt!

Schuldige huizen en schuldige landschappen, vooruit.  Maar schuldige ei- en zaadcellen? Ja, die bestaan ook. Ik ben er zelfs uit ontstaan. Wat ze hebben misdaan? Simpel: ze zijn samengesmolten op de verkeerde plek. In het verkeerde land.

Ik haat Nederland.

De eindeloze polders, de lompe mensen, het weer, schaatsen, klederdracht, het gezanik over vieze Franse toiletten: ik walg ervan. Waarom woon ik er dan op m’n 36e nog steeds? Omdat ik natuurlijk niet he-le-maal achterlijk ben. In de rest van de wereld is het echt niet zo veel beter. Ik bedoel: hier krijgen we elk kwartaal kinderbijslag, hier rijdt de trein op tijd en hier ruimen mensen hondenpoep op in minivuilniszakjes.

Ook belangrijk!

Bovendien: iedere dag je americano drinken op een zonnig Madrileens terras gaat vervelen. Dagelijks naar je werk wandelen door de smalle, kronkelige straatjes van pak ‘m beet Nice, Genua of Lissabon is overschat. En in de weekenden vanuit je woning in Granada gaan wielrennen in de Sierra Nevada  is op de lange duur vast en zeker ontzettend saai.

Nee, ik prijs mezelf gelukkig als ik op een regenachtige maandagochtend om 8.00 uur in de file sta bij knooppunt Ewijk. Wij hebben tenminste matrixborden en P+R transferia. En dus ben ik iedere dag als een kind zo blij wanneer ik de televisie aanzet. Wij hebben Wendy van Dijk, Ivo Niehe en Winston huppeldepuppelvitch. En als er echt iets ergs gebeurt, en we verdienen onverhoopt drie of vier procent minder, dan hebben we altijd onze arbeidsongeschiktheid-, rechtsbijstand-, lijfrente- en overlijdensrisicoverzekeringen nog.

Een veilig gevoel. Lekker dichtgetimmerd ook.

Dat mag best iets kosten.

En ach, dat ik qua muziekvoorliefde eigenlijk een Portugees ben, dat ik de saudade tot in m’n kleine teentjes voel als ik Amalia Rodrigues de fado hoor zingen, dat past precies in het plaatje. Saudade betekent zoiets als weemoed, onvervulbaar (en onvervuld!) verlangen. Een verlangen naar andere delen van de wereld. Naar onbekende plaatsen. Naar de andere kant van de heuvels, waar het gras zo groen is, waar de zon altijd schijnt, en waar mensen minder zaniken.  

maandag 7 maart 2011

Walging

Een miezerig mannetje in z’n zondagse pak en een te blonde vrouw in een gedurfd bloemengewaad. Ze lopen voor ons uit, de stad in. “Goed verkleed”, fluister ik bewonderend. Maar als we ze passeren, blijken ze echt. Echt als in 'verkleed als zichzelf' dus.

Carnaval in Nijmegen. De toon is gezet.

Wie het over vaderliefde heeft, heeft het deze zondag over mij. Ik heb mijn principes (lees: afschuw, fysieke pijn en diepe walging) opzijgezet, heb de hele familie in de auto gegooid en ben vol goede moed naar de optocht gescheurd. Op weg naar het centrum krijgen we achtereenvolgens Spiderman, boer Marcel en een hossende meute New Kids (bijna) onder de wielen.

Lachen man.

Max vindt de festiviteiten geweldig. A. ook. Zij is ooit Bornerbroeks jeugdprinses geweest en zoiets raak je nooit meer kwijt. De hele middag grijnzen Max en A. van oor tot oor. Gelukkig zit de kleinste Peters in mijn kamp. Bij het zien van de eerste wagen - bemand met smurfen, een Louis-van-Gaal-pop en legomannetjes met neptieten - kotst Ole prompt de hele stoep onder. Ik troost 'm met de mededeling dat het slechts eenmaal per jaar carnaval is. En dat er ergere dingen in het leven zijn.

Gelukkig vraagt hij niet welke. Ik had het antwoord schuldig moeten blijven.

Maar goed. Voor Max doe ik veel, zo niet alles. Onze kleine man vindt het allemaal even prachtig. Hij kijkt met grote ogen naar de trekkers, vecht om uitgedeelde snoepjes, en geeft iedere deelnemer van de optocht hoogstpersoonlijk een high five. De subtiele humor van de carnavalsgasten ontgaat ‘m volledig. Zo mist hij de ontelbare doldwaze toespelingen op de naam ‘Knotsenburg’ (zo heet Nijmegen dezer dagen), hij mist de mannen in vrouwenkleren die ‘Bent over, boy’ op hun billen hebben staan en – hoe jammer – hij mist het levensgrote rijdende bankstel met daarop een bierton. Een bierton? ‘Ja-haaa, wij hebben een ton op de bank’.  

Ge-ni-aal.  

Eenmaal weer thuis zetten Max, A. en Ole - de verrader! – de zoveelste polonaise in. Het brengt me in verwarring. Ik maak deel uit van een carnavalsgezin. Hoe kan dat? Waar is het misgegaan? Help!

Zoals zo vaak is een nachtje slapen de oplossing van veel ellende. Vanmorgen kwam alles weer op z’n pootjes terecht. A. wil Max omtoveren tot ridder. “Zo leuk, alle kindjes van het kinderdagverblijf zijn verkleed, Maxi.” Maar Maxi is weer de oude. En brult: “Ik denk dat niemand verkleed is, mama. Ik wil het niet!” Resoluut smijt hij de maliënkolder, het schild, de helm en het zwaard in de vuilnisemmer.  

Voor één keer juich ik deze burgerlijke ongehoorzaamheid heel hard toe. Volgend jaar gaan Max, Ole en ik op mannenvakantie, naar Tenerife of zo. Dat kun je met een beetje slechte wil ook carnaval noemen. Maar je hoeft tenminste niet verkleed. Vamos, hombres!

woensdag 2 maart 2011

Schuldig

Ik heb mezelf beloond met een dagje vrij. Een snipperdag, zoals mijn schoonvader dat nog noemt met een mooi, bijna vergeten woord. Een vrije dag begint voor mij met een dampende kop zwarte koffie en de Volkskrant. Die spel ik uit van a tot z. Zelfs de immer abominabele column van Ronald Giphart kan mijn goede humeur niet bederven.

Het voelt een beetje als vroeger. Als spijbelen.

En dan schijnt de zon ook nog.

In de krant een mooi stuk over ‘schuldige woningen’. Huizen waar zich ooit de meest vreselijke gebeurtenissen hebben afgespeeld. Het Achterhuis natuurlijk, maar ook de zolder waar Sietske H. haar vier eigenhandig gedode baby’s bewaarde, of de griezelige kelderkerker van Marc Dutroux. Zoals Armando’s ‘schuldige landschap’ passief toekeek hoe tienduizenden joden werden gedeporteerd, zo grepen ook deze huizen niet in. Ze zagen de wandaden, de wanhoop, maar zwegen. En ze zwijgen nog steeds.

Misschien vergezocht, maar ik vind het een prachtig beeld.

Ik doe dat graag: levenloze spullen een menselijk gezicht geven. Zo kan ik serieus wat weemoedig worden als ik door een grauwe volksbuurt kom, langs zo’n rijtje dichtgetimmerde huizen, en ik zie daar een auto voor de deur staan. Of ik ontdek nog net een glimp van een haveloos gordijn tussen de planken. Dan schiet het door mijn hoofd: je zult maar als auto in deze buurt terecht komen. Of: je zult maar als gordijn hier opgehangen worden. En weten: hier kom ik nooit meer weg.

Met iets meer geluk had het heel anders kunnen lopen. Beter, vrolijker, welvarender. Arme auto, arm gordijn.

Raar? A. vond van wel. De eerste keer dat ik deze gedachte met haar deelde, zag ik haar denken: kan ik deze vent nog dumpen? Gelukkig was het daarvoor te laat. Inmiddels is ze eraan gewend, en kan ze er om lachen. En soms maakt ze schaamteloos misbruik van mijn oprechte gevoelens. “Zeg sanderpeterstekst, ik wil niet heel vervelend doen, hoor, maar denk wel eens: je zult maar de broek of de wc-pot van Sander Peters zijn. Dat is nog eens een treurig bestaan. Ofwel je ligt wekenlang vies weg te rotten op een stoel, onder een berg andere kleren, of je schreeuwt dagenlang tevergeefs om een fris doekje. Arme broek, arme wc-pot.”

Ik doe nog een kansloze poging om grappig te zijn (“Je zult maar de echtgenoot van A. zijn”), maar weet dat ze gelijk heeft. Ik ga mijn broek redden en de wc-pot een beurt geven. Maar ergens vind ik het slap van mijn gewaardeerde klerenbergstoel en wc-rolhouder dat ze me niet even gewaarschuwd hebben.

Hoezo schuldig huis?!     

donderdag 24 februari 2011

Van Mubarak naar Max

De revolutie in de Arabische wereld, ik geniet er met volle teugen van. Niet van het geweld tegen al die arme drommels natuurlijk. Wel van het verschijnsel ‘macht’. Wat is macht eigenlijk? En vooral: wat is het niet? Macht bestaat slechts in de hoofden van mensen. Het is een theoretisch begrip. Je moet er in geloven, anders werkt het niet. Als degene over wie de macht wordt uitgeoefend, dit beseft en zich roert, smelt macht weg als sneeuw voor de zon.

Vraag dat maar aan Ben Ali, Mubarak en straks aan kolonel Khaddafi.

En aan A. en mij.

Wij voelen ons in de opvoeding van onze stronteigenwijze, iets te slimme en soms ronduit brutale puberpeuter Max wel eens als een roepende Mubarak in de Sinaïwoestijn. Als Max niet wil luisteren, en dan bedoel ik dus écht niet, wat dan? De pedagogische variant van ‘keihard ingrijpen door het leger’, ofwel de corrigerende tik? Liever niet, maar soms neigen we er wel naar.

Terwijl A. en ik toch echt het beste voor hebben met onze onderdanen Max en Ole.

Het lijkt of Max nu al - hij is nog geen twee jaar en negen maanden - haarfijn beseft dat ouderlijk gezag net als politieke macht niet meer is dan een leeg omhulsel. Bedacht door papa’s en mama’s om hun kroost zolang mogelijk onder de duim te houden. Dat ouders – als puntje bij paaltje komt – ook niet zomaar naar grof geschut zullen grijpen (vergeet Khaddafi). En dat je als kind meer ‘invloed’, ja zelfs ‘macht’ hebt dan je dacht.

En dus? Dus zit er voor ons net als voor de Arabische leiders niets anders op dan in te stemmen met een zekere democratisering. Geef het volk brood, spelen en het idee dat ze enige zeggenschap hebben. Maar zoek altijd een middenweg. Maak niet de onherstelbare fout door het volk volledig z’n zin te geven. Het volk is namelijk een verwend kind. En verwende kinderen walsen over je heen. Weg gezag, weg macht en weg orde en regelmaat. Voor altijd en eeuwig verloren.

Kinderen en volkeren hebben duidelijke regels en grenzen nodig. Wijze mensen moeten hierover beslissen. Dat heet parlementaire democratie. Of opvoeden.

Geert, Rita en al die andere vreselijke populistische types: are you listening

dinsdag 1 februari 2011

Oma en de petjesjochies

Eén zwaluw maakt nog geen zomer. Ik weet het. Toch zou ik een moord doen voor één f*cking armzalige zwaluw. Dit weer - dit vieze, vuile, gure, donkergrijze, niksige, kletsnatte, gemeen koude weer - dat zou bij wet verboden moeten worden. Eigenlijk geldt dat voor de hele winter. En voor de herfst. En voor maart die z’n klotestaart roert en april die gvd toch gewoon doet wat ‘ie wil.

Allemaal even belachelijk.

Soms maakt één zwaluw wél een zomer. Dan doet één lief woord, één mooi gebaar of 'gewoon' één goed mens je cynisme smelten als sneeuw voor de zon. Vandaag dook er zo’n zwaluw op, vermomd als lief, klein omaatje. Watergolfje in het haar, lichtbruine regenjas, hoge schoenen en een handtasje.  Kortom: ze zag er uit zoals verfrommelde omaatjes er nu eenmaal uit horen te zien.

Niks meer aan doen.

Bij het Nijmeegse station stiefelt het vrouwtje uiterst voorzichtig van het talud omlaag richting tunnel. Ik zit op de fiets en haal haar beneden bijna in. Een groepje van vier Marokkaanse jongens komt ons tegemoet. Petjesjochies. Veel onderdelen van trainingspakken om het lijf, veel kettingen en ander zilverwerk, en de gekrulde matjes stevig in de glimmende kokoswax. Allemaal houden ze hun armen iets te ver van het lichaam.  

Het verschil met omaatje kan nauwelijks groter.

Precies als ik het oude dametje inhaal en de petjesmannetjes passeer, hoor ik het. Het omaatje zegt, met een piepstemmetje waar moederlijke bezorgdheid in doorklinkt: “Zeg jongelui, passen jullie een beetje op, alsjeblieft. Het is werkelijk spek- en spekglad daar.” En ze wijst met haar handtasje naar het talud. De jongens kijken verbaasd op. “Bedankt man, mevrouw. We gaan niet vallen, hoor. Zijn we niet van plan.” Stoer lopen ze omhoog, lachend.

Ik kijk nog eens goed naar omaatje. Ze glimlacht, geeft me een vette knipoog en zegt: “Ik heb m’n goede daad weer verricht vandaag.”

Soms is de werkelijkheid mooier dan je ooit zou kunnen bedenken. En soms heb je er ineens ook weer alle  vertrouwen in, in die multicultisamenleving. Omaatje, bedankt man