Posts tonen met het label Werk. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Werk. Alle posts tonen

donderdag 5 mei 2011

Thrillseekers

We zeiden: zullen we samen een werkruimte zoeken? En we deden het. Op de gok. Hoe goed kenden we elkaar nu helemaal, na drie gezamenlijke clubsandwiches in de kroeg en een paar vluchtige ontmoetingen bij de poort van het kinderdagverblijf?

Thrillseekers, dat waren we. 

Ik wist niet dat ze iedere dag om elf uur een banaan eet. Of dat ze blij wordt van kleurtjesbehang, mijn gebabbel grappig en gezellig vindt, niet dwangneurotisch wil afwassen, poetsen en schrobben, en dol is op kaas, krentenbollen en karnemelk. En op koekies. Ik wist niets. We wisten niets.

Zij wist niet dat ik het gezellig vind om dagelijks samen te lunchen. Of dat ik de schouder ben waar je op kunt leunen in moeilijke tijden, met plezier zwarte koffie voor haar zet, gaten in de muur boor om haar knusse kastjes op te hangen, en bereid ben om over naaipatronen te praten. Ze wist het niet. We wisten niets.

En dat we allebei van Gummbah, Maxim Hartman, countrymuziek, Bert Wagendorp, Wie is de Mol en schoenen kopen houden? We hadden geen flauw idee, precies een halfjaar geleden. 

De beste beslissingen neem je onbewust, zeggen ze.  

maandag 28 februari 2011

Sleur? Heerlijk!

J. en ik zijn nu vier maanden een stel. Geen bankstel, maar een kantoorstel. Vier maanden lang al vertoeven we minimaal drie dagen per week in elkaars nabijheid. (Ik mag van J. niet zeggen: op elkaars lip). Vier maanden lang al gooit J. tegen elf uur ’s ochtends de elfuurbanaan op m’n bureau, dekken we rond half een gezellig samen de tafel en spelen vervolgens met kinderlijk enthousiasme het vraagvandedag-spel.

Sleur? Ben je gek. Ons samenzijn verveelt nog geen moment. Mij althans niet.

Een ingespeeld team, dat zijn we. Zie ik vanuit m’n ooghoeken dat J. zich richting mijn bureau beweegt, dan houd ik gedachteloos al m’n koffiekop omhoog. Tijd om bij te tanken. Hetzelfde om een uur of twee ’s middags. Hoog tijd voor een tjokvolle mok pikzwarte koffie om de onvermijdelijke afterlunchdip de kop in te drukken. Voor mij dan. J. wil een halfje, of beter gezegd: twee derde. Dat weet ik. Ik vraag het niet eens meer.  

Heerlijk, die patronen.

Langzaam maar ontzettend zeker leren we elkaar kennen als onze broekzak. Hoe ondoorgrondelijk J. ook is, voor intimi is ze stiekem best een open boek. Trekt ze zonder een woord te zeggen slechts haar wenkbrauwen heel even omhoog, dan weet ik: foute boel. Ze denkt er het hare van. Zegt ze, terwijl ze driftig doortikt: “Ik luister wel, hoor”, dan weet ik: ze luistert niet. Geen probleem, dan wacht ik toch even met het vertellen van die hilarische dijenkletser. En heeft ze vuurrode blosjes op de wangen, dan weet ik: ze heeft het druk en is een piepklein beetje gestresst.

Tijd voor een kopje thee en, vooral, een koekje.

Onze kantoorrelatie is gebaseerd op de beginselen van Louis’ totaalvoetbal. Iedere pion weet wat z’n taak is, in elke denkbare situatie. Verrassingen zijn uitgesloten, zeker de onaangename, en dat is onze kracht. We vormen, kortom, een geoliede machine. And we love it. Ik althans wel.

Vorige week vroeg iemand: is dat niet raar, of saai, de hele dag met z’n tweetjes op zo’n kantoortje? Tja. Dan heb je er dus niets van begrepen. Ten eerste: ik ben tekstschrijver. Ik zit dus graag een hele dag achter een beeldschermpje. Maar belangrijker: ik zit graag de hele dag met iemand als J. op een kantoortje. Bescheiden als ze is, zal ze het niet willen horen (bij het lezen van deze blog zal ze slechts haar wenkbrauwen heel even omhoog bewegen), maar ik zeg het lekker toch: “J., je hebt mijn werkende leven weer kleur gegeven. Waar kan ik tekenen voor de volgende vierhonderd maanden kantoorhuwelijk?”

Goed. Genoeg veren in de spreekwoordelijke r….. Waar blijft die elfuurbanaan nou?


dinsdag 22 februari 2011

Antenne

Ik ben een leeuw. Sterrenbeeldtechnisch althans. En dus zou ik volgens de astrologische theorie een dominante, ambitieuze, intelligente, creatieve, zelfverzekerde, wilskrachtige, onafhankelijke en ijdele man moeten zijn.

Grappig: die beschrijving klopt precies. Alleen dat ijdele, daar herken ik mezelf niet zo in.

Zonder gekheid: ik ben natuurlijk vre-se-lijk ijdel. Ik kan er niets aan doen, en ontken het ook niet langer. Ik heb mezelf geaccepteerd als ijdeltuit; op uiterlijk vlak, maar zeker ook op professioneel gebied. Het komt er eigenlijk op neer dat ik naar complimentjes vis. De godganse dag. Als iemand zegt dat ik er goed uitzie, als iemand mijn schrijfsels leuk vindt, of als ik applaus krijg voor een praatje of debat, dan leef ik op. Aandacht, positieve aandacht, daar doe ik vrijwel alles voor.

Kenmerkend voor überonzekere types.

Vorige week schreef ik al over mijn etalageruitenfetisj. Meer in het algemeen ben ik dol op spiegels. Ik kijk er graag en veel in. Als ik weet dat het in uiterlijk opzicht allemaal wel snor zit (figuurlijk dan , vanzelfsprekend), functioneer ik beter. Vooral mijn haar is een ding, een item. Gisteren shockeerde ik J., toen ik bekende liever in een roze huispak maar met ‘goed haar’ de straat op te gaan, dan in een stoere, coole of kekke outfit maar met ochtendlijk aapjeshaar.

“Jouw aapjeshaar is dus wat voor vrouwen onopgemaakte ogen zijn”, constateerde J. Geen idee hoe dat voelt met die ogen en mascara enzo, maar als zij het zegt. 

Nu J. weet hoe de vork bij dit leeuwenmannetje in de steel zit, moet ze er ook naar handelen. Vind ik. Dat heb ik haar vanochtend dus even fijntjes duidelijk gemaakt toen ik bij een toiletbezoekje (weer!) één sneue, eenzame, bizarre, rechtopstaande pluk op mijn hoofd ontdekte. Een antenne, zogezegd. En bij antennes moet er onmiddellijk en zonder aarzelen een antennealarm worden afgegeven.

Dat weet A. en dat weet J. nu ook.

En wat zegt J., met een lief en verleidelijk lachje: “Maar misschien vind ik zo’n plukje wel heeeel charmant?!” Alsof ze verdorie weet dat ik weerloos ben tegen complimenten.

woensdag 2 februari 2011

Warme drol

In elke grote man schuilt een klein jongetje. Dus ook in mij. Nog steeds moet ik in tien minuten zo’n vierentwintig keer naar het toilet wanneer ik iets spannends moet doen. Denk aan een gesprek leiden tussen topambtenaren, een live interview met publiek erbij, of een een-op-een gesprek met minister of staatssecretaris.

Gezonde spanning is nodig om te presteren, luidt een oude sportwet.

Of het gezond is, weet ik niet, maar spanning voel ik in elk geval genoeg.

Gek genoeg was (en ben) ik vaak het meest nerveus als ik een voetballer moet interviewen. Ik weet het nog als de dag van gisteren: m’n eerste NEC-interview. Met routinier Patrick Pothuizen. Beroep: voetballer en humorist. Voor wie ‘Potje’ niet kent: trainers zeggen dat hij belangrijk is in de groep, in de kleedkamer. Potje is van ’t type ‘ik draai even een warme drol in je voetbalschoen, haha’.

Ik keek enorm tegen ‘m op.

Tot de poort van het stadion was ik gewoon Sander Peters, begin dertig en tekstschrijver met heel wat jaartjes interviewervaring. Eenmaal in het spelershome nam het kleine jongetje in mij de regie over. Het gesprek duurde een halfuur (en dat is lang hoor, voor een voetballer) en in dat halve uur heb ik nauwelijks geluisterd en zeker twintig keer in m’n arm geknepen. ‘Het is verdorie echt waar: ik zit tegenover Pothuizen en hij praat met mij.’

Na het interview ben ik heel hard naar de wc gerend.

Juist: diarree.

Inmiddels is die spanning een beetje minder. Maar de kinderlijke trots blijft. Iedere keer als onze Poolse net-niet-spits Andrzej Niedzielan mij vriendelijk de hand schudde, werd ik warm van binnen. Elke keer als Potje in de catacomben van De Goffert al van verre naar mij riep: “Hé Sander, jongen, alles goed?, dacht ik: was A. maar hier. Dat zou vet stoer zijn. 

Het mooiste moment van al die jaren NEC? Mijn cadeau voor A.’s 27e verjaardag. Als fanatieke hobbyfotograaf mocht ze voor één keer tijdens een wedstrijd foto’s maken. Aan het veld dus. Dat was nog niet alles. Ik had Romano Denneboom, om onduidelijke redenen de favoriet van A., gevraagd een paar lieve woorden op een foto van A. te schrijven. Zoiets van: ‘Lieve A., wat leuk dat je fan van bent. Ik zal proberen te scoren voor jou. Kus Romano.”

Haha.

‘Bakvis’ A. schaamde zich kapot toen ze de foto kreeg. En ging helemaal door de grond toen ze het veld opliep en de rekkende en strekkende Romano D. haar een vette knipoog gaf. Daar moest (en moet) het kleine jongetje in mij heel hard om lachen. 

woensdag 26 januari 2011

Blonde meiden in een eendje

Op de menukaart van onze bedrijfskantine geen croissants, tosti’s of broodjes kroket. J. en ik kunnen hier bij de lunch slechts een keuze maken uit de ‘Vragen van de Dag’. Het systeem is even simpel als doeltreffend: het enige dat je nodig hebt is een mandje met kaartjes. Op die kaartjes staan vragen – sommige feitelijk, sommige filosofisch, en andere meer persoonlijk van aard. Om en om mogen we een kaartje trekken en de ander een vraag stellen. Antwoorden is verplicht.

Succes en gespreksstof verzekerd. 

Zo weet ik nu hoe J. haar vriend heeft leren kennen (wist ik nog niet), of ze van appelstroop of suiker op haar pannenkoek houdt (wist ik nog niet) en of ze ’s avonds in bed nog een paar bladzijdes leest of liever meteen gaat snurken (wist ik nog niet).

Hartstikke belangrijke informatie dus.

Vorige week kreeg ik de vraag voorgeschoteld wat het gevaarlijkste is dat ik ooit gedaan heb in m’n leven. Nu ben ik niet zo heel erg van de gevaarlijke dingen (bungeejumpen, Australian Football, rodeo, op een drukke zaterdag met een rood-zwart-groen shirt door de Arnhemse binnenstad lopen), dus moest ik even graven.

Na een tijdje wist ik het: het gevaarlijkste dat ik ooit ‘gedaan’ heb, is een klapband krijgen in de afdaling van de Col du Galibier. Op de fiets dus. Met een gangetje van zo’n zeventig km/u. Dat was niet leuk. Vooral niet omdat ik na de ontploffing (zo klonk het echt) kon kiezen uit twee minder fijne opties: of in de berm sturen met het risico door te schieten tegen een indrukwekkende rotswand, of me in het peilloos diepe ravijn storten.

Ik koos voor optie A.

Toen ik weer op m’n benen stond en tot tien kon tellen, bleek de schade alleszins mee te vallen. Althans: fysiek. Mijn fiets was er stukken slechter aan toe. En dus zat er – in het pre-iPhone tijdperk – niets anders op dan naar huis te liften. En je gelooft het niet: waar God altijd onmiddellijk straft, heeft Hij blijkbaar soms ook mededogen met z’n arme schaapjes. Ik had me nog niet langs de weg geposteerd, of er kwam – echt waar, echt waar, echt waar! – een eendje aangescheurd met drie blonde meiden erin. Die wilden mij in m’n strakke pakje wel meenemen.

Pas de problème! Giechel, giechel. 

De afloop vertel ik hier niet. Dat verhaal bewaar ik voor de dag dat ik het kaartje trek met de vraag: 'Wat is de grootste gemiste kans op een wilde middag met drie heerlijke blonde meiden, stom rund?'

donderdag 2 december 2010

Macaroni

Ik ben een eenpitter die niet meer in z’n eentje is. Sinds een week deel ik een kantoor met een collega, een vrouw nog wel. Het maakt een ander mens van me. Ik laat geen knetterende scheten meer (ook niet van die laffe, stiekeme zachte). Ik gooi bananenschillen weg voor ze donkerbruin gaan liggen rotten op m’n bureau en - helaas - ik google niet meer de godganse dag op afbeeldingen van Scarlett.

Vind ik ongepast tegenover J.

Maar hé, begrijp me niet verkeerd, het is hartstikke leuk om weer eens een kamergenoot te hebben. Die kun je namelijk ook goedmoedig plagen. Niets leuker dan J. op de kast proberen te krijgen. Dat gaat tot nu toe verbazingwekkend makkelijk. Ik zal hier niet verklappen wat haar ‘zwakke plekken’ zijn, maar het heeft veel, zo niet alles met snoep, drop en koekjes te maken.

Ook J. laat zich niet onbetuigd. Toen ik gisteren (pas) voor de zesde keer aanstalten maakte voor een sanitaire stop, hoorde ik een licht proestend geluid vanachter haar laptop komen. ‘Alweer?’, was alles wat ze vroeg. Het onvermijdelijke was gebeurd:  J. had ontdekt dat ik een meidenblaas heb. Reden voor mij om alle vuile was meteen open en bloot op de lunchtafel te gooien. Dan hebben we dat maar gehad.

En dus weet J. nu dat ik:
- thuis het vrouwtje ben die altijd en overal over wil praten
- het liefst een hele pan met macaroni met smac en kaas leeg eet
- me zwaar aangetrokken voel door wipneuzen en flaporen
- te ijdel ben om een muts te dragen (dan gaat m’n kapsel naar de haaien)
- stiekem plezier beleef aan de muziek van Britney Spears.

Laten we hopen dat het gezegde klopt en dat stukjes schrijven therapeutisch werkt. Want als ik dit rijtje zie, krijg ik sterk de neiging om me onder de dichtstbijzijnde trein te storten.

Maar ook al ben ik in m’n vrije tijd een zichzelf vervuilende, vrouwonvriendelijke ijdeltuit met een belabberde muzieksmaak, toch ben ik best een fijne kamergenoot. Tenminste, dat maakte ik op uit J.’s woorden toen we gisteren samen naar huis fietsten. Met een oprecht blij (en opgelucht?) gezicht vertrouwde ze me toe dat ze elke avond “super enthousiast” thuis komt. 

Om dat te vieren heb ik gisteravond in vijf minuten een reuzenpan macaroni achterovergeslagen. Jeuj!

dinsdag 16 november 2010

Mijn geheimen

Zaterdag 13 november. Het is zover: na vier jaar zolderkamerwerk verhuist sanderpeterstekst naar een serieus kantoor. Vriend P. is uitverkoren om te assisteren. P. is een uit de kluiten gewassen Achterhoeker, beresterk, heel precies en nóg handiger dan ik. Bovendien is hij mijn vaste klusmaat. We hebben samen al heel wat eenvoudige en iets minder eenvoudige werkzaamheden verricht. Niet alleen omdat we er zo goed in zijn, maar ook vanwege de rituelen: bier drinken met een grote bak kibbeling erbij (deze ene keer ingeruild voor koffie en beschuit met muisjes) en onderweg leuke mevrouwen in nog leukere outfits spotten. 

Dat laatste doen we tegenwoordig heel laf vanachter gesloten autoraampjes. Op onze leeftijd wordt het anders al snel sneu.   

Ik schat dat P. en ik elkaar inmiddels zo’n jaar of tien kennen. Ik weet heel veel van hem, hij heel veel van mij. Maar in een goede relatie hebben mensen ook geheimen voor elkaar. Helaas liggen de mijne sinds zaterdag op straat. P. weet nu dat ik mijn administratie in gezellige rozeblauwegelegroene Hema-mappen bewaar, en dat ik mijn facturen wegstop in twee poezelige Nijntje-ordners.

Dat krijg je als je je vrouw de inkopen laat doen.

Ik heb cabaretier Bert Klunder ooit horen zeggen dat ‘vrouwen graag gezellige dingetjes op schaaltjes leggen’. Nou, ze stoppen ook graag gezellige dingetjes in gekleurde, kinderachtige mapjes. Blijkbaar.

Terug naar zaterdagmiddag. Ik moet P. bijna reanimeren nadat hij mijn kast heeft opengetrokken. De tranen (van het lachen, denk ik) rollen over z’n wangen als hij hikkend de mappen aanschouwt. En de ontmaskering neemt nog ernstiger vormen aan. Nog voordat ik actie heb kunnen ondernemen, staat hij oog in oog met mijn pluizige prikbord, met daarop onwaarschijnlijke hoeveelheden lieveheersbeestjes-prikkertjes.

Dat is de druppel voor P., imagosensitief als hij is. Hij pakt me bij de schouder, kijkt me lang en ongewoon serieus aan en zegt: “Sander, vriend, wat jij de afgelopen jaren thuis allemaal hebt uitgevreten, is jouw zaak. Ik wil het niet weten. Maar nu je dit kantoor hebt, moet je een man worden. En voor een man draait het maar om één ding: succes uitstralen.” En de uitsmijter: “Wat moet J. hier straks wel niet van denken?”

’s Avonds huil ik langdurig en hysterisch uit op de schouder van A. “Lieve Sander”, verzekert ze me, “trek het je niet aan. Jij hebt weer heel andere kwaliteiten. Bovendien: de meeste vrouwen, en J. vast en zeker ook, hoeven helemaal geen stoere machomannen. Die willen juist gezellig kletsen, over gevoelens. Ze verlangen een luisterend oor, een schouder om op uit te huilen. Dat kun jij ze bieden.”
Vast goed bedoeld, die woorden van A., maar dodelijk voor een wannabe machoman. Ik heb die avond nog lang snikkend in bed gelegen. Nu, drie dagen later, is de pijn wat gezakt. En denk ik: nou Jolanda, bof jij even met je roomie. Je hebt er een maatje, een broer en een klankbord bij.

En een vriendin, hoor ik mannetjesmaker P. al zeggen… Zucht. 

vrijdag 29 oktober 2010

Hé, slachtoffer!

Ik ben een man en dus zap ik graag en vaak. Meestal is dat een tamelijk doelloze bezigheid. Maar soms levert het iets moois op. Zo belandde ik een tijdje terug in een documentaire over het taalgebruik van kleine kinderen. Meer specifiek ging het over schelden. Waar wij vroeger de enige twee ‘allochtoontjes’ in onze klas – V. uit Turkije en R. met een Indonesische vader – nog redelijk goedmoedig uitmaakten voor ‘Turkie Augurkie’ en ‘Pinda’, daar gaat het er nu anders aan toe. Harder vooral. Kleine kindjes wensen elkaar zonder blikken of blozen de meest vreselijke ziektes toe.

Boeiende televisie. En behoorlijk schokkend.

Als taalfreak bleef me vooral één specifiek scheldwoord bij. Een term die de laatste tijd, zo begreep ik, onder de jeugd aan een serieuze opmars bezig is: ‘slachtoffer’. Prachtige vondst. Zeg nu zelf: niets ergerlijker dan van die klagende types. Van die vet sneue passievelingen die altijd denken dat alles en iedereen het op hen gemunt heeft – terwijl dat dus niet zo is. Dat soort losers roept in mij een bijna onbeheersbare agressie op. 

En nu ben ik er zelf een.

Want, echt waar, alles zit tegen. Gisteren beleefde ik het dieptepunt van mijn persoonlijke crisis. Hoop ik. Na zes uur slaap (te weinig, gaap), kroop ik om zeven uur (in het donker!) in de trein, op weg naar Amsterdam (station Bijlmer-Arena). Die reis op dat tijdstip is op zichzelf al reden genoeg om in een diepe depressie te geraken, maar het zou nog erger worden. Ik som even op: een opdrachtgever (een kleintje, dat dan wel) beëindigt via de mail de samenwerking - slik! - een bitchy mevrouw snauwt me in de trein toe dat ze ‘ontzettend veel last heeft’ van mijn iPod – huh, hij staat helemaal niet hard – en bij aankomst in Nijmegen heeft een grapjas het zadel van m’n fiets gejat. En omdat ik niet het type ben dat blij wordt van een zadelpen in z’n…, loop ik naar huis. Om half twaalf ’s avonds. Door de regen.

Help, ik ben zielig!

Maar dan. Dan is er altijd nog Max. Ik sluip z’n kamer binnen, en kijk even bij z’n bedje. Onze kleine witkop ligt horizontaal in bed, luid snurkend en in een innige omhelzing met z’n vrienden Beer, Kikker, Hond en Babyhond. Wauw. Het liefste, leukste, grappigste, mooiste en stoerste jongetje ter wereld is mijn zoon.  

Exit slachtoffer Sander.