zaterdag 23 april 2011

Engel

Onze oudste smurf wordt groot. Begreep hij er vorige week nog geen jota van dat oma Grave ook de mama van z’n papa is, nu vraagt hij: “Van wie ben jij, papa? Wie zijn jouw vader en moeder? En waar is jouw oma eigenlijk?” Bij de laatste vraag aarzel ik even, maar antwoord dan naar waarheid: “Die leeft niet meer. Ze was heel oud en is nu een engel”. Dat laatste heeft hij pas gezien in een tv-serie, dus hij knikt. En denkt weer na. “Je mag mijn oma wel gebruiken, hoor.”

Terwijl ik verwoed mijn lach probeer in te houden, denk ik: tjezus, wat is ‘ie al ver, dat ‘ie dit allemaal snapt.

Dan, een paar uur later. We zitten te eten aan de picknicktafel in de tuin. Met z’n tweetjes, want A. is de stad in en Ole ligt prinsheerlijk op twee oren. Tussen twee reuzenhappen rookworst door, zegt hij plotseling: “Papa, jullie oma is  niet dood, hè? Je maakte een grapje, toch?” Ik verslik me in m’n worst en denk ondertussen koortsachtig na. Shit, dit wordt wel heel moeilijk. Wat zou Oei, ik groei hiervan zeggen? Moet ik volhouden dat mijn oma dood is, of denkt Max nu dat mijn oma ook zijn oma is? En is ‘ie nu dus heel erg bang dat zijn lieve oma Grave niet meer leeft? Hij kijkt naar me met grote ogen. “Je houdt me voor de gek, papa!” Hij lacht, opgelucht. En ik zeg: “Klopt vent, papa maakte een grap. Stom. Je hoeft echt nergens bang voor te zijn.” Ik geef ‘m een knuffel, hij leunt tegen me aan. “Jij ook niet, papa.”

Prachtig hoor, die bijdehante kinderen, maar potverdorie,  wat is dat ingewikkeld soms. En hij is nog niet eens drie… 

maandag 18 april 2011

Troosteloze populieren

Ben ik een natuurmens? Ja, als in: ik ben graag buiten. Ja, ook als in: ik geniet van de natuur, van bossen, bergen, rivieren en de zee. Kan ik dus uit m'n blote hoofd alle boom- en plantensoorten opdreunen? Nee. Ik weet het verschil niet tussen pak 'm beet een eiken- en een kastanjeboom. Geen flauw idee, nooit geweten ook.

Het interesseert me domweg geen moer.

Wat ik wel weet is dat ik aan weinig dingen zo’n hekel heb als aan populieren. Voor wie het even niet paraat heeft: de populier is die lange, dunne, grauwgroene sliert die te laf is om alleen te zijn. Altijd en overal verschuilt 'ie zich achter z’n collega-populieren, in zo'n fantasieloos rijtje. Kijk, daar staan er weer een paar, een beetje saai te ruisen in de wind. Want dat doen ze, ruisen, met hun blaadjes. Die ontelbare kleine, bleke, rottige blaadjes, waartussen te veel ruimte zit, zodat je die eindeloos lelijke Hollandse polder kunt zien.

De populier staat voor alles wat kleur- en troosteloos is in het leven. Voor West-Brabant, winderig Hollands weer, elektriciteitsmasten, bedrijventerreinen, en parkeerplaatsen bij benzinestations. De populier is een rotboom. Hij maakt me depressief.

Populieren. De naam alleen al. Een mix van ‘populair willen zijn’ en ‘plezieren’. De populier is een muurbloem, maar wil dat niet zijn. Het is een slijmbal. Dat nare, bleke jongetje (met beugel), dat doet alsof het je vriend is, maar achter je rug om over je lult om indruk te maken op de stoertjes in de klas. Het woord lijkt ook te veel op populisten. De associatie met Rita, Geert en Telegraaf-lezers maakt het er niet beter op voor deze boom.

Populieren. Je ziet ze ook veel in mijn geboortestreek: de Peel. Land van varkensstallen, silo’s, en een intens lelijk, boers dialect. En dus van populieren.

Nee, dan Twente. Land van rare achternamen, exotische sporten, bars in huizen, nuchterheid en mooie vrouwen. Maar bovenal: niet van populieren. Nee, in Twente zie je ronde bomen. Hoge, lage, grote, kleine, maar altijd ronde bomen. Gezellige bomen, dichte bomen, waar je niet doorheen kunt kijken naar het andere eind van de wereld. Plukjes bomen, ongeordend. Niet in een rij. Knusse bomen. Levensgenieters, Bourgondiërs, niet van die doodgravers, niet van die stijve, achterbakse slungels. Zoals de populier dus.

Omdat naar Twente verhuizen vanwege een boomsoort ons net te ver gaat, blijven we in Nijmegen wonen. Ook al kom je ze hier nog wel eens tegen, de populieren. Vorige week nog. Ik wandel met Max door onze buurt. Max wijst me op een plukje bomen. Beter gezegd: een rijtje. Shit, populieren. Ik wil hem de aanblik nog besparen door snel om te keren, maar ik ben te laat. ‘Papa, wat zijn dat voor bomen?’ Grote, vragende ogen. ‘Populieren, jongen, lelijke rotbomen. Daar houden wij thuis niet van.’ ‘Ik ook niet, papa. Ik vind formulieren ook lelijk.’

Mooie momenten, wederom. 

donderdag 14 april 2011

Bloemen voor mama

Max heeft van de buurvrouw van opa en oma (!) een tractor gekregen. Of zoals z’n mama zegt: een trekker. ‘Een trektor met een bak’, roept onze vent de hele tijd. Achter het plastic racemonster hangt inderdaad een soort platte kar. Omdat ik ook ooit een menneke van twee was, schat ik het cadeau op waarde. ‘Gaaf man, die zou ik ook wel willen’, vertrouw ik Max toe. ‘Jij mag in de bak, papa’. Mooi gebaar.  

De trekker slaapt buiten en Max binnen, in bed. Het is zowat het enige moment van de dag dat de twee van elkaar gescheiden zijn. Onze vent is verknocht aan het ding; liefde op het eerste gezicht. En dus gooi ik de trekker-kar-combinatie in de auto (lang leve onze reusachtige Skoda) als ik de jongens van het kinderdagverblijf ophaal. ‘Verrassing: jij mag naar huis rijden, en papa loopt met je mee.’ Gejuich. Dan, licht bezorgd: ‘En Oletje dan? Moet die in de bak?’ Omdat Ole iedere tien seconden op z’n achterhoofd valt, lijkt dat een minder slim plan. ‘Mama gaat met Ole in de auto naar huis. Wie het eerst thuis is.’  

Onze terugreis duurt een kleine drie kwartier. Niet alleen omdat dat trappen best zwaar is met die kleine beentjes. Ook omdat letterlijk iedere paardenbloem (‘zonnebloemen!’) geplukt moet. ‘Voor mama’. ‘Prachtig, jongen, eindelijk een man die haar met verse bloemen verrast.’ Halverwege de rit. Plots een pauze.  Max zet voet aan de grond. Hij hijgt licht, veegt wat zweet van z’n voorhoofd en vraagt dan voorzichtig: 'Wij gaan winnen, hè, papa? Mama en Ole zijn nog niet thuis.’ Ik heb het hart niet om te ontkennen.

En zoef. Verder gaan we. De beentjes malen fanatiek door; de zon schijnt. Mooie momenten.  

donderdag 31 maart 2011

Thuiskomst

Donderdagavond. Het eten is achter de kiezen. Ik ga nog even snel de stad in, voor wat praktische inkopen. A. legt de mannetjes in bed.
Rond half negen ben ik weer thuis. Als ik m’n jas ophang, hoor ik boven een stemmetje. ‘Papaaa?’ Ik ren de trap op. Fijn, Maxi is nog wakker. Even knuffelen.
Net boven het immense dekbed krult een eigenwijs blond kuifje. Twee slaperige kraaloogjes kijken me tevreden aan. “Papa, jij is teruggekomen!’, zegt mijn kereltje. En hij lacht z’n tandjes bloot. Een handje komt boven de deken uit en grijpt mijn hand.
Ik blijf nog tien minuten zitten. Zonder iets te zeggen. Max knort; hij slaapt.
En ik ben gelukkig.

maandag 28 maart 2011

Letters ruiken

Ik ben een reuzenbaby. De verbinding tussen mijn zintuigen is nooit volledig verbroken. Baby’s proeven beelden en ruiken geluid, met hetzelfde gemak als waarmee ze hun fles leegslurpen. Meestal verdwijnt deze ‘gave’ na enkele weken of maanden, maar bij sommige mensen blijft de connectie tussen zintuiglijke waarnemingen bestaan. Dit verschijnsel heet synesthesie. Mensen die dit ‘hebben’, proeven bijvoorbeeld letters of voelen geluiden.

Ik ‘zie’ de kleur van woorden. En tot vorige week dacht ik dat iedereen dat kon.

Niet dus.

Sowieso vormen zintuigen een bijzonder boeiend fenomeen. Vind ik. Het grappige is dat iedereen zintuiglijke sensaties waarneemt, maar dat we de grootst mogelijk moeite hebben om deze sensaties in woorden te gieten. Probeer maar eens een kleur te omschrijven of een smaak. Ja, we geven er woorden aan als rood, groen, zout of bitter. Maar echt beschrijven? Dat kan niemand.

Zintuiglijke waarnemingen zijn per definitie individueel en persoonsgebonden. Het is een beetje als met smaak. Daarover valt niet te twisten. En zo is ook nauwelijks vast te stellen of iemand een kleur als dezelfde kleur ziet als een ander. Ooit heb je van je ouders geleerd dat blauw blauw heet. Dat leer je doordat je ouders of andere grote mensen de kleur aanwijzen en er het woord blauw aan geven. Maar hoe zien we de kleur blauw? Misschien wel als roze, of geel. Dat weten we niet, omdat we de kleuren an sich niet kunnen omschrijven.

Super boeiend. En het tekent onze beperkingen.

Ik ben misschien wel extra gegrepen door het thema omdat ik één zintuig mis. Net als mijn vader (en vermoedelijk ook Max) lijd ik aan anosmie. In normale-mensen-taal: de Peters-mannetjes kunnen niet ruiken. In de Volkskrant zei de blinde cabaretier Vincent Bijlo dat niet kunnen ruiken hem na blindheid en doofheid het ergste leek. Mij persoonlijk lijkt niet kunnen proeven 100 keer erger, maar ik weet niet beter. Ik heb nooit de lente kunnen ruiken. Of gemaaid gras of versgebakken brood.   

Wat niet weet, wat niet deert.  

“Oooh, maar dan kun je ook niet proeven”, zegt bijna iedereen ontzet aan wie ik mijn ‘gebrek’ vertel. Wel dus. Ik onderscheid aardbeienjam van witlof en paprikachips van augurken. Maar hoeveel proef ik precies? Dat is lastiger te beantwoorde. Genoeg, vind ik zelf. Genoeg om volop van eten en drinken te genieten. En daar gaat het mij om. Te weinig om te merken of er dille of oregano over mijn pasta is gestrooid.

Boeien. Als ik die pecorino maar proef.

Andere vraag: hebben de overige vier zintuigen mijn ‘tekort’ overgenomen? Dat schijnt te gebeuren bij blinden en doven. Geldt dat ook voor niet-ruikenden (Waarom is er nog geen naam voor deze mensen? Suggestie: nozen). Ik vrees van niet, bij mij in elk geval niet. Mijn oren zijn vrij belabberd (laat ze eens uitspuiten, roept A. al jaren) en ik heb een bril voor in de auto.

Ik kan wel heel goed voelen. Vooral sfeer- en stemmingswisselingen.

“Nee, Sander, dat is gewoon je vrouwelijke kant”, zegt J. grijnzend. Punt voor haar.

Hé, maar misschien is ‘mijn’ synesthesie helemaal geen overblijfsel uit de tijd dat ik nog een klein, kaal,  poepend en boerend michelinmannetje was. Misschien heb ik die gave juist wel ontwikkeld omdat ik niet kan ruiken. Superfijn: nu weet ik tenminste dat de AA groen is, de EU bruin en de UU felgroen. Daar heb je pas écht iets aan.

Ontzettend bedankt, God, evolutie of – gewoon – mijn lichaam!   

     

vrijdag 18 maart 2011

Dilemma

In mij woedt een gevecht. Een strijd op leven en dood. Letterlijk bijna.

Ik zie het nare kuifje van pedoseksueel Robert M. in de krant. En ik lees de verhalen. Dat M. bij voorkeur kindjes tussen 0 en 2 jaar uitkoos omdat die nog niet kunnen praten. Of over de jongen van 15 die door M.’s partner werd vastgehouden, terwijl hij zijn 3-jarige broertje in de aangrenzende kamer om hun mama hoorde roepen. De kleuter werd verkracht door M.

En nog veel meer ellende. 

Ik heb twee kinderen die passen in M.’s favoriete doelgroep. De vader in mij zou de man graag eigenhandig castreren en de nek omdraaien. De geciviliseerde mens in mij zegt: ‘Het recht doet z’n werk. Vertrouw daar op.' En: 'Verlaag je nooit tot het niveau van hen die je veracht.’

Mijn god, wat een dilemma. Wat moeten de ouders van de slachtoffertjes doormaken?!    

woensdag 9 maart 2011

Ei- en zaadcelletjes, bedankt!

Schuldige huizen en schuldige landschappen, vooruit.  Maar schuldige ei- en zaadcellen? Ja, die bestaan ook. Ik ben er zelfs uit ontstaan. Wat ze hebben misdaan? Simpel: ze zijn samengesmolten op de verkeerde plek. In het verkeerde land.

Ik haat Nederland.

De eindeloze polders, de lompe mensen, het weer, schaatsen, klederdracht, het gezanik over vieze Franse toiletten: ik walg ervan. Waarom woon ik er dan op m’n 36e nog steeds? Omdat ik natuurlijk niet he-le-maal achterlijk ben. In de rest van de wereld is het echt niet zo veel beter. Ik bedoel: hier krijgen we elk kwartaal kinderbijslag, hier rijdt de trein op tijd en hier ruimen mensen hondenpoep op in minivuilniszakjes.

Ook belangrijk!

Bovendien: iedere dag je americano drinken op een zonnig Madrileens terras gaat vervelen. Dagelijks naar je werk wandelen door de smalle, kronkelige straatjes van pak ‘m beet Nice, Genua of Lissabon is overschat. En in de weekenden vanuit je woning in Granada gaan wielrennen in de Sierra Nevada  is op de lange duur vast en zeker ontzettend saai.

Nee, ik prijs mezelf gelukkig als ik op een regenachtige maandagochtend om 8.00 uur in de file sta bij knooppunt Ewijk. Wij hebben tenminste matrixborden en P+R transferia. En dus ben ik iedere dag als een kind zo blij wanneer ik de televisie aanzet. Wij hebben Wendy van Dijk, Ivo Niehe en Winston huppeldepuppelvitch. En als er echt iets ergs gebeurt, en we verdienen onverhoopt drie of vier procent minder, dan hebben we altijd onze arbeidsongeschiktheid-, rechtsbijstand-, lijfrente- en overlijdensrisicoverzekeringen nog.

Een veilig gevoel. Lekker dichtgetimmerd ook.

Dat mag best iets kosten.

En ach, dat ik qua muziekvoorliefde eigenlijk een Portugees ben, dat ik de saudade tot in m’n kleine teentjes voel als ik Amalia Rodrigues de fado hoor zingen, dat past precies in het plaatje. Saudade betekent zoiets als weemoed, onvervulbaar (en onvervuld!) verlangen. Een verlangen naar andere delen van de wereld. Naar onbekende plaatsen. Naar de andere kant van de heuvels, waar het gras zo groen is, waar de zon altijd schijnt, en waar mensen minder zaniken.  

maandag 7 maart 2011

Walging

Een miezerig mannetje in z’n zondagse pak en een te blonde vrouw in een gedurfd bloemengewaad. Ze lopen voor ons uit, de stad in. “Goed verkleed”, fluister ik bewonderend. Maar als we ze passeren, blijken ze echt. Echt als in 'verkleed als zichzelf' dus.

Carnaval in Nijmegen. De toon is gezet.

Wie het over vaderliefde heeft, heeft het deze zondag over mij. Ik heb mijn principes (lees: afschuw, fysieke pijn en diepe walging) opzijgezet, heb de hele familie in de auto gegooid en ben vol goede moed naar de optocht gescheurd. Op weg naar het centrum krijgen we achtereenvolgens Spiderman, boer Marcel en een hossende meute New Kids (bijna) onder de wielen.

Lachen man.

Max vindt de festiviteiten geweldig. A. ook. Zij is ooit Bornerbroeks jeugdprinses geweest en zoiets raak je nooit meer kwijt. De hele middag grijnzen Max en A. van oor tot oor. Gelukkig zit de kleinste Peters in mijn kamp. Bij het zien van de eerste wagen - bemand met smurfen, een Louis-van-Gaal-pop en legomannetjes met neptieten - kotst Ole prompt de hele stoep onder. Ik troost 'm met de mededeling dat het slechts eenmaal per jaar carnaval is. En dat er ergere dingen in het leven zijn.

Gelukkig vraagt hij niet welke. Ik had het antwoord schuldig moeten blijven.

Maar goed. Voor Max doe ik veel, zo niet alles. Onze kleine man vindt het allemaal even prachtig. Hij kijkt met grote ogen naar de trekkers, vecht om uitgedeelde snoepjes, en geeft iedere deelnemer van de optocht hoogstpersoonlijk een high five. De subtiele humor van de carnavalsgasten ontgaat ‘m volledig. Zo mist hij de ontelbare doldwaze toespelingen op de naam ‘Knotsenburg’ (zo heet Nijmegen dezer dagen), hij mist de mannen in vrouwenkleren die ‘Bent over, boy’ op hun billen hebben staan en – hoe jammer – hij mist het levensgrote rijdende bankstel met daarop een bierton. Een bierton? ‘Ja-haaa, wij hebben een ton op de bank’.  

Ge-ni-aal.  

Eenmaal weer thuis zetten Max, A. en Ole - de verrader! – de zoveelste polonaise in. Het brengt me in verwarring. Ik maak deel uit van een carnavalsgezin. Hoe kan dat? Waar is het misgegaan? Help!

Zoals zo vaak is een nachtje slapen de oplossing van veel ellende. Vanmorgen kwam alles weer op z’n pootjes terecht. A. wil Max omtoveren tot ridder. “Zo leuk, alle kindjes van het kinderdagverblijf zijn verkleed, Maxi.” Maar Maxi is weer de oude. En brult: “Ik denk dat niemand verkleed is, mama. Ik wil het niet!” Resoluut smijt hij de maliënkolder, het schild, de helm en het zwaard in de vuilnisemmer.  

Voor één keer juich ik deze burgerlijke ongehoorzaamheid heel hard toe. Volgend jaar gaan Max, Ole en ik op mannenvakantie, naar Tenerife of zo. Dat kun je met een beetje slechte wil ook carnaval noemen. Maar je hoeft tenminste niet verkleed. Vamos, hombres!

woensdag 2 maart 2011

Schuldig

Ik heb mezelf beloond met een dagje vrij. Een snipperdag, zoals mijn schoonvader dat nog noemt met een mooi, bijna vergeten woord. Een vrije dag begint voor mij met een dampende kop zwarte koffie en de Volkskrant. Die spel ik uit van a tot z. Zelfs de immer abominabele column van Ronald Giphart kan mijn goede humeur niet bederven.

Het voelt een beetje als vroeger. Als spijbelen.

En dan schijnt de zon ook nog.

In de krant een mooi stuk over ‘schuldige woningen’. Huizen waar zich ooit de meest vreselijke gebeurtenissen hebben afgespeeld. Het Achterhuis natuurlijk, maar ook de zolder waar Sietske H. haar vier eigenhandig gedode baby’s bewaarde, of de griezelige kelderkerker van Marc Dutroux. Zoals Armando’s ‘schuldige landschap’ passief toekeek hoe tienduizenden joden werden gedeporteerd, zo grepen ook deze huizen niet in. Ze zagen de wandaden, de wanhoop, maar zwegen. En ze zwijgen nog steeds.

Misschien vergezocht, maar ik vind het een prachtig beeld.

Ik doe dat graag: levenloze spullen een menselijk gezicht geven. Zo kan ik serieus wat weemoedig worden als ik door een grauwe volksbuurt kom, langs zo’n rijtje dichtgetimmerde huizen, en ik zie daar een auto voor de deur staan. Of ik ontdek nog net een glimp van een haveloos gordijn tussen de planken. Dan schiet het door mijn hoofd: je zult maar als auto in deze buurt terecht komen. Of: je zult maar als gordijn hier opgehangen worden. En weten: hier kom ik nooit meer weg.

Met iets meer geluk had het heel anders kunnen lopen. Beter, vrolijker, welvarender. Arme auto, arm gordijn.

Raar? A. vond van wel. De eerste keer dat ik deze gedachte met haar deelde, zag ik haar denken: kan ik deze vent nog dumpen? Gelukkig was het daarvoor te laat. Inmiddels is ze eraan gewend, en kan ze er om lachen. En soms maakt ze schaamteloos misbruik van mijn oprechte gevoelens. “Zeg sanderpeterstekst, ik wil niet heel vervelend doen, hoor, maar denk wel eens: je zult maar de broek of de wc-pot van Sander Peters zijn. Dat is nog eens een treurig bestaan. Ofwel je ligt wekenlang vies weg te rotten op een stoel, onder een berg andere kleren, of je schreeuwt dagenlang tevergeefs om een fris doekje. Arme broek, arme wc-pot.”

Ik doe nog een kansloze poging om grappig te zijn (“Je zult maar de echtgenoot van A. zijn”), maar weet dat ze gelijk heeft. Ik ga mijn broek redden en de wc-pot een beurt geven. Maar ergens vind ik het slap van mijn gewaardeerde klerenbergstoel en wc-rolhouder dat ze me niet even gewaarschuwd hebben.

Hoezo schuldig huis?!     

maandag 28 februari 2011

Sleur? Heerlijk!

J. en ik zijn nu vier maanden een stel. Geen bankstel, maar een kantoorstel. Vier maanden lang al vertoeven we minimaal drie dagen per week in elkaars nabijheid. (Ik mag van J. niet zeggen: op elkaars lip). Vier maanden lang al gooit J. tegen elf uur ’s ochtends de elfuurbanaan op m’n bureau, dekken we rond half een gezellig samen de tafel en spelen vervolgens met kinderlijk enthousiasme het vraagvandedag-spel.

Sleur? Ben je gek. Ons samenzijn verveelt nog geen moment. Mij althans niet.

Een ingespeeld team, dat zijn we. Zie ik vanuit m’n ooghoeken dat J. zich richting mijn bureau beweegt, dan houd ik gedachteloos al m’n koffiekop omhoog. Tijd om bij te tanken. Hetzelfde om een uur of twee ’s middags. Hoog tijd voor een tjokvolle mok pikzwarte koffie om de onvermijdelijke afterlunchdip de kop in te drukken. Voor mij dan. J. wil een halfje, of beter gezegd: twee derde. Dat weet ik. Ik vraag het niet eens meer.  

Heerlijk, die patronen.

Langzaam maar ontzettend zeker leren we elkaar kennen als onze broekzak. Hoe ondoorgrondelijk J. ook is, voor intimi is ze stiekem best een open boek. Trekt ze zonder een woord te zeggen slechts haar wenkbrauwen heel even omhoog, dan weet ik: foute boel. Ze denkt er het hare van. Zegt ze, terwijl ze driftig doortikt: “Ik luister wel, hoor”, dan weet ik: ze luistert niet. Geen probleem, dan wacht ik toch even met het vertellen van die hilarische dijenkletser. En heeft ze vuurrode blosjes op de wangen, dan weet ik: ze heeft het druk en is een piepklein beetje gestresst.

Tijd voor een kopje thee en, vooral, een koekje.

Onze kantoorrelatie is gebaseerd op de beginselen van Louis’ totaalvoetbal. Iedere pion weet wat z’n taak is, in elke denkbare situatie. Verrassingen zijn uitgesloten, zeker de onaangename, en dat is onze kracht. We vormen, kortom, een geoliede machine. And we love it. Ik althans wel.

Vorige week vroeg iemand: is dat niet raar, of saai, de hele dag met z’n tweetjes op zo’n kantoortje? Tja. Dan heb je er dus niets van begrepen. Ten eerste: ik ben tekstschrijver. Ik zit dus graag een hele dag achter een beeldschermpje. Maar belangrijker: ik zit graag de hele dag met iemand als J. op een kantoortje. Bescheiden als ze is, zal ze het niet willen horen (bij het lezen van deze blog zal ze slechts haar wenkbrauwen heel even omhoog bewegen), maar ik zeg het lekker toch: “J., je hebt mijn werkende leven weer kleur gegeven. Waar kan ik tekenen voor de volgende vierhonderd maanden kantoorhuwelijk?”

Goed. Genoeg veren in de spreekwoordelijke r….. Waar blijft die elfuurbanaan nou?


donderdag 24 februari 2011

Van Mubarak naar Max

De revolutie in de Arabische wereld, ik geniet er met volle teugen van. Niet van het geweld tegen al die arme drommels natuurlijk. Wel van het verschijnsel ‘macht’. Wat is macht eigenlijk? En vooral: wat is het niet? Macht bestaat slechts in de hoofden van mensen. Het is een theoretisch begrip. Je moet er in geloven, anders werkt het niet. Als degene over wie de macht wordt uitgeoefend, dit beseft en zich roert, smelt macht weg als sneeuw voor de zon.

Vraag dat maar aan Ben Ali, Mubarak en straks aan kolonel Khaddafi.

En aan A. en mij.

Wij voelen ons in de opvoeding van onze stronteigenwijze, iets te slimme en soms ronduit brutale puberpeuter Max wel eens als een roepende Mubarak in de Sinaïwoestijn. Als Max niet wil luisteren, en dan bedoel ik dus écht niet, wat dan? De pedagogische variant van ‘keihard ingrijpen door het leger’, ofwel de corrigerende tik? Liever niet, maar soms neigen we er wel naar.

Terwijl A. en ik toch echt het beste voor hebben met onze onderdanen Max en Ole.

Het lijkt of Max nu al - hij is nog geen twee jaar en negen maanden - haarfijn beseft dat ouderlijk gezag net als politieke macht niet meer is dan een leeg omhulsel. Bedacht door papa’s en mama’s om hun kroost zolang mogelijk onder de duim te houden. Dat ouders – als puntje bij paaltje komt – ook niet zomaar naar grof geschut zullen grijpen (vergeet Khaddafi). En dat je als kind meer ‘invloed’, ja zelfs ‘macht’ hebt dan je dacht.

En dus? Dus zit er voor ons net als voor de Arabische leiders niets anders op dan in te stemmen met een zekere democratisering. Geef het volk brood, spelen en het idee dat ze enige zeggenschap hebben. Maar zoek altijd een middenweg. Maak niet de onherstelbare fout door het volk volledig z’n zin te geven. Het volk is namelijk een verwend kind. En verwende kinderen walsen over je heen. Weg gezag, weg macht en weg orde en regelmaat. Voor altijd en eeuwig verloren.

Kinderen en volkeren hebben duidelijke regels en grenzen nodig. Wijze mensen moeten hierover beslissen. Dat heet parlementaire democratie. Of opvoeden.

Geert, Rita en al die andere vreselijke populistische types: are you listening

dinsdag 22 februari 2011

Antenne

Ik ben een leeuw. Sterrenbeeldtechnisch althans. En dus zou ik volgens de astrologische theorie een dominante, ambitieuze, intelligente, creatieve, zelfverzekerde, wilskrachtige, onafhankelijke en ijdele man moeten zijn.

Grappig: die beschrijving klopt precies. Alleen dat ijdele, daar herken ik mezelf niet zo in.

Zonder gekheid: ik ben natuurlijk vre-se-lijk ijdel. Ik kan er niets aan doen, en ontken het ook niet langer. Ik heb mezelf geaccepteerd als ijdeltuit; op uiterlijk vlak, maar zeker ook op professioneel gebied. Het komt er eigenlijk op neer dat ik naar complimentjes vis. De godganse dag. Als iemand zegt dat ik er goed uitzie, als iemand mijn schrijfsels leuk vindt, of als ik applaus krijg voor een praatje of debat, dan leef ik op. Aandacht, positieve aandacht, daar doe ik vrijwel alles voor.

Kenmerkend voor überonzekere types.

Vorige week schreef ik al over mijn etalageruitenfetisj. Meer in het algemeen ben ik dol op spiegels. Ik kijk er graag en veel in. Als ik weet dat het in uiterlijk opzicht allemaal wel snor zit (figuurlijk dan , vanzelfsprekend), functioneer ik beter. Vooral mijn haar is een ding, een item. Gisteren shockeerde ik J., toen ik bekende liever in een roze huispak maar met ‘goed haar’ de straat op te gaan, dan in een stoere, coole of kekke outfit maar met ochtendlijk aapjeshaar.

“Jouw aapjeshaar is dus wat voor vrouwen onopgemaakte ogen zijn”, constateerde J. Geen idee hoe dat voelt met die ogen en mascara enzo, maar als zij het zegt. 

Nu J. weet hoe de vork bij dit leeuwenmannetje in de steel zit, moet ze er ook naar handelen. Vind ik. Dat heb ik haar vanochtend dus even fijntjes duidelijk gemaakt toen ik bij een toiletbezoekje (weer!) één sneue, eenzame, bizarre, rechtopstaande pluk op mijn hoofd ontdekte. Een antenne, zogezegd. En bij antennes moet er onmiddellijk en zonder aarzelen een antennealarm worden afgegeven.

Dat weet A. en dat weet J. nu ook.

En wat zegt J., met een lief en verleidelijk lachje: “Maar misschien vind ik zo’n plukje wel heeeel charmant?!” Alsof ze verdorie weet dat ik weerloos ben tegen complimenten.

zaterdag 19 februari 2011

Fietszadelgate

Soms gebeuren er dingen die je niet had kunnen verzinnen. Neem afgelopen donderdag. Ik zie op twitter dat vriendin P. (althans, haar fiets) het slachtoffer is geworden van een zadeldief. Ze roept lotgenoten op aangifte te doen. Omdat mijn zadel een paar weken eerder ook ontvreemd is, op dezelfde plek, doe ik braaf mijn burgerplicht. Meteen daarna stuur ik een lollig bedoelde tweet de wereld in: ‘Ik heb me aangesloten bij het offensief tegen de geheimzinnige fietszadelfdief in Nijmegen-West’.

Een halfuurtje later. Tring. Mijn mobiel. “RTV Nijmegen hier. Ik lees dat u een collectief heeft opgericht tegen fietsendieven?” Ik leg uit dat het iets genuanceerder ligt, maar een uurtje na mijn tweet staat er een heuse cameraploeg in mijn tuin. Ze stellen me drie vragen en filmen minutenlang mijn gloednieuwe zadel. En nog eens. En nog eens. “Het is een beetje een komkommerdag vandaag”, zegt de verslaggever. Hij lacht er wat ongemakkelijk bij.

Mij maakt het niet uit. Ik heb een topdag; mijn debuut bij RTV Nijmegen is een feit.

Die avond zit ik niet met borrelnootjes voor de buis (anderen wel, begreep ik later). Ik ben op stap met A., ons maandelijkse niet-spontane, maar beregezellige avondje uit. De volgende ochtend bekijk ik het itempje op internet. Beetje jammer dat ze me een keer ‘Peter’ noemen, maar verder: geniaal. Keihard nieuws. En goeie quotes natuurlijk. “Ik kwam uit de trein, moe, het regende en toen was m’n zadel weg. Lopen dus.”

Natuurtalentje.

Ik zet het linkje meteen op twitter, facebook, linkedin en hyves. Op social media mag, nee moet je je eigen successen ongegeneerd vieren.   

Twee dagen later. A. en ik hangen op de bank. Ik zeg, een beetje nagenietend: “Gaaf was het hè, mijn tv-optreden?” A. kijkt verschrikt op. Zenuwachtig grijpt ze naar haar telefoontje. “Ik heb nog niet gekeken”, bekent ze dan. Zo gaat dat blijkbaar na drieënhalfjaar huwelijk. Samen bekijken we alsnog het filmpje. Haar reactie doet mijn lichte ergernis als sneeuw voor de zon verdwijnen. “Wat doe je dit soort dingen toch altijd goed,” zegt ze, bloedserieus. Dan, met een lachje: “En oh, oh, wat ben je een bluffer. Mij een beetje naar de fietsenmaker laten gaan en zelf met dit verhaal goeie sier maken. Ik hou van je, mafkees.”

Ja, ja. Wat passen we goed bij elkaar. A. is er voor de inhoud, ik voor de show. Ik zeg: prima geregeld!

donderdag 17 februari 2011

Lichaamsgeur

Ze zeggen wel eens dat mensen hun partner onbewust selecteren op lichaamsgeur. Hoe zit dat dan met mensen die niet kunnen ruiken? Met mij dus. Geen flauw idee. Maar als het verhaal klopt, heb ik A. uit een enorme doelgroep ‘gekozen’. Mooi compliment, toch?!  

Matchende geuren dus. Zou zoiets ook gelden voor bioritmes? Ik hoop het niet, want dan is mijn relatie met A. ten dode opgeschreven. Ik ben een ochtend- en avondmens, A. een middagmens. Ik sta op met goeie zin (oké, dat goede humeur staat onder druk sinds bepaalde types me bij nacht en ontij uit m’n slaap jengelen), en ben ’s avonds met geen tien stokken m’n bed in te krijgen.

Ergens daartussenin kak ik vreselijk in.

Het liefst zou ik tussen 14.00 en 19.00 uur een dekbed over m’n hoofd trekken en in een diepe slaap wegzinken. Een siësta-plus, zeg maar. Het lullige is dat A. net in die uren op haar best is. In elk geval beter dan in de vroege ochtend. Er zijn gezelliger dingen te bedenken dan met A. aan de ontbijttafel zitten. En appeltje nummer 1, Max dus, valt niet ver van mama’s boom. Het liefste dat Max en A. voor 9.00 uur over hun lippen krijgen?  “Laat me ALSJEBLIEFT met rust.”

Zelfs een dansje of een dikke vette knuffel van papa Sander helpt ze niet. Geen polonaise aan hun beider lijven.

Rare pipo’s.

Gelukkig is Ole er nog, mijn ieniemieniepartner in crime. Om 7.15 uur ligt ‘ie al lekker te babbelen in bed. Als ik ‘m optil, word ik getrakteerd op een vette grijns, en ook voor een kwalitatief hoogstaande kroelpartij is onze kleine dikzak wel te porren. ’s Ochtends althans, want overdag doet Ole een  powernapje van een uur of tien. De verslagjes in het schriftje van het kinderdagverblijf zijn hilarisch: “Ole knuffelt op schoot bij L., dan valt ‘ie in slaap, om 12 uur drinkt Ole een flesje, dan slaapt ‘ie weer in, dan drinkt ‘ie nog een flesje, hij speelt een kwartier, en dan wordt ‘ie alweer moe. Hij slaapt tot half zes. Dag lieve Ole, tot morgen.”

Lijkt me heerlijk, zo’n dag.   

Iedere avond vieren Ole en ik ons eigen feestje. Max snurkt, A. snurkt, en papa en zoon doen aan male bonding. Gisteren keken we samen geboeid naar de tweede helft van Arsenal-Barcelona. Sindsdien weet ik twee dingen zeker: a) Ole heeft verstand van voetbal, b) ik krijg ‘m na die fan-tas-tische voetbalshow nooit meer mee naar de goedwillende prutsers van NEC.

donderdag 10 februari 2011

Vrouwen op een fiets

Wielrenners zijn net vrouwen. Zeker de mannen onder hen. Raar? Nee hoor, het is zo klaar als een klontje. Wielrenners zijn namelijk erg ‘bezig’ met anderen. Met andere wielrenners welteverstaan. Nog specifieker: met het uiterlijk van andere wielrenners. Met hun kleren. Met hun buik en billen. En above all: met hun benen.

Wielrenners zijn onuitstaanbare ijdeltuiten. Extreem onzeker en dus afgunstig.

Net vrouwen, zoals ik zei.

Ik ben ook wielrenner. Een goedwillende amateur, oké, maar ik voldoe aan alle criteria. Ook ik wring me in bochten om er zo gelikt mogelijk uit te zien op de fiets. Kek pakje, Italiaans spiegelbrilletje, witte sokjes (!) en gebruinde benen. Er zijn jaren geweest – ja, echt! - dat ik mijn beide benen biljartbalkaal schoor. Wie die benen wel eens in real life heeft mogen bewonderen, weet wat een hels karwei dat was. Haren, haren, en nog eens haren.

Maar ja, wie mooi wil zijn…

En het is natuurlijk kicken iedere keer als je in die etalageruit op je eigen spiegelbeeld zit te geilen. Wow, die spieren!

Keerzijde van dit verhaal is wel dat wij (let op: ik ga over op de eerste persoon meervoud) geen afgetrainde profs zijn, maar luie mooi-weer-fietsers. Die een hoofdzakelijk zittend beroep hebben. En ook nog eens de dertig gepasseerd zijn. Kortom: dat strakke pakje gaat als vanzelf steeds strakker spannen. En die witte sokjes en dure Italiaanse zonnebrillen hebben steeds meer moeite de aandacht van dat beginnende buikje af te leiden.

En dus gaan we gluren. En vergelijken.

Ieder jaar weer lach ik in m’n vuistje als ik zie dat fietsvrienden J. en F. ook niet geheel schadevrij uit de winter zijn gekomen. Zat die broek van J. altijd zo bizar strak? En kijk z’n benen eens, die zijn toch echt wel mollig. Zat F. vroeger ook al zo hoekig op z’n fiets? En die rooie kop van ‘m, geen gezicht.

Blij dat ik er in elk geval stukken professioneler uitzie.  

Des te harder is de klap als we (en dat gebeurt ieder jaar wel een aantal keer) weer eens worden voorbij gekacheld door een stokoude, moddervette, behaarde en bebaarde mafkees op een fiets die vast heel modern was, in de vroege middeleeuwen.

“Goh!”, zeggen we dan tegen elkaar, als we even adem hebben. “Vast een oud-prof. Nog steeds vrolijk aan ’t snoepen uit de pot der verboden vruchten.”

En door zwoegen we. Zwijgend. In onze mooie pakjes.     

dinsdag 8 februari 2011

Faalangst

Mijn sportmentaliteit kan beter. Zo kan ik werkelijk prima tegen m’n verlies. Als ik zelf drie ballen in de kruising mik, maar we verliezen als team met 3-4: boeien! Vervelender nog is dat ik op veld of baan een schijtluis ben. Ik heb gevoetbald, gevolleybald en getennist, en altijd hoorde ik in no time bij de besten. Maar genieten? Ho maar. Voor iedere wedstrijd zat ik uren en uren op de pot. Stress!

Ik was de zevenkleurenschijtende Olympische bobsleestuurman van sportend Uden.

Mijn faalangst was zó groot dat ik er ooit bij de selectietraining voor het Oost-Brabantse volleybalteam (waar hebben we 't over?) heel bewust met de pet naar gegooid heb. Ik deed de hele dag mijn uiterste best iedere set-up te hard, te zacht, te hoog of te laag te spelen. En wat denk je? Precies: aan het eind van dag werd ik uitgekozen, vanwege mijn ‘natuurlijke balgevoel, spelinzicht en lengte’.

Balen.

De volgende dag heb ik de trainer gebeld. Dat ik er geen zin in had. Die man staat nu nóg met z’n mond vol tanden.

Misschien juist omdat ik het me zo goed kan voorstellen, ben ik gefascineerd door faalangst in de topsport. Het is nog een taboe, zeker in de überconservatieve voetbalwereld. Des te moediger vond ik het dat een aantal voetballers een paar jaar geleden in het prachtblad Johan meewerkte aan een reportage over faalangst. Een van hen was de huidige aanvoerder van NEC: Ramon Zomer. Hij zei toen baat te hebben bij ‘een stukje sportpsychologie’.

Iedere keer als ik hem nu zie spelen, schieten de volgende beelden door m’n hoofd.

De avond voor de wedstrijd. Daar zit ‘ie, thuis op de bank, samen met mevrouw Zomer. “Schat, dus jij vindt echt dat ik goed kan voetballen? Echt? Wil je dat dan nog één keer zeggen, alsjeblieft?” Of ’s ochtends op de wedstrijddag. Daar zit ‘ie, op de wc, moederziel alleen. De Twentsche Courant op schoot, het blijft maar komen. En komen. En komen. Knoop in de buik. Of vlak voor de wedstrijd, in de kleedkamer. Daar drentelt ‘ie. Stilzitten kan niet meer. Scheids, kan de wedstrijd beginnen? Nu, alsjeblieft? Iedere minuut wachten is uitstel van executie.

Dan is het 29 januari 2011. In het thuisduel tegen NAC Breda werkt Ramon Zomer zes (6!) seconden voor het eindsignaal de bal – heel ongelukkig, dat wel – in eigen doel. Ik zak plaatsvervangend door de grond. Dit overleeft de arme kerel niet. Maar wat zie ik, uit m’n ooghoeken? Ramon staat op, recht de schouders, trekt z’n medespelers die verslagen op de grond liggen, van de grond en bedankt keurig het publiek. Wat een sportman, wat een bikkel!

Als dit het resultaat is van een stukje sportpsychologie, overweeg ik op 36-jarige leeftijd alsnog een rentree op de velden. Het talent heb ik, de rest is maakbaar. Kijk maar naar onze eigen Ramon.

Sportend Nijmegen, here I come. 

vrijdag 4 februari 2011

Veertig

Om me heen vallen ze bij bosjes. De slachtoffers van de tijd. M’n oudste zus was twee jaar geleden aan de beurt, de vrouw van een jeugdvriend overkwam het vorig jaar, en een paar maanden terug bereikte ook vriend P. de Vreselijke Mijlpaal: veertig jaar. Ik heb dus heel wat feestjes gevierd, en ik ga er ook nog aardig wat voor de kiezen krijgen de komende tijd.

(Waaronder mijn eigen 40e verjaardag in augustus 2014, maar daar gaan we het nu natuurlijk niet over hebben, dat ligt veel te gevoelig.)

Ook gevoelig, maar op een iets andere manier, ligt de veertigste verjaardag van m’n jongste zus, van B. dus. Die zou precies over een jaar veertig moeten worden. Maar dat wordt ze niet. Nooit meer. Ze is op haar twintigste al overleden. De kwestie is: vier je een verjaardag die er nooit zal komen? Ja! Wij doen dat al jaren. Ergens in de eerste week van februari komen we bijeen. Gewoon om dat te doen wat we in onze familie het liefst doen: veel, lekker en lang eten en drinken. En veel, lang en diepzinnig praten. Niet zozeer specifiek over B. of over de dood en verdriet of zo, maar gewoon over alles wat in het leven belangrijk is.

Als je er maar over kunt discussiëren, dan is het een goed gespreksonderwerp voor de Petersjes.

Ja, ja, wij vermaken ons wel.

Maar wat doen we volgend jaar? De geijkte ‘oplossing’ - een megafeest voor 100 man inclusief tent, tap en barman – lijkt me geen optie. Te geforceerd. Een avond vol met abc’tjes, diavoorstellingen en andere lollig bedoelde stukjes dan? Neuh, hoeft voor mij ook niet. Het zou ook een rare ‘levensloop’ worden, halverwege ruw afgebroken.

Nee. Moeten we niet willen.

En toch vind ik dat we iets speciaals moeten doen. Nog meer dan andere jaren zal die dag ons aan ’t denken zetten. Wat zou er van haar geworden zijn? Huisje, boompje, beestje of juist niet? We weten het niet, zullen het nooit weten ook, maar over een jaar doet ieder van ons onwillekeurig moeite het zich voor te stellen. Nóg meer dan andere jaren dus.

Ach, het zal uiteindelijk wel weer een ouderwets eet- en drinkfestijn worden. Misschien met een extra goeie fles wijn erbij. (Ja, waarom niet een uit haar geboortejaar?). Zoiets past ons het beste. En B. vond dat ook heerlijk. Toen in elk geval wel. Of dat nu nog zo is, dat weten we niet. Maar wij vullen het voor haar in. Op basis van herinneringen. Meer kunnen we niet doen. Zo is het goed.

We denken aan je, lieve B. Proost!      

donderdag 3 februari 2011

Frons

Mijn hoofd past niet bij mijn karakter. Hoe vaak ik niet te horen krijg, als mensen mij voor het eerst zien, dat ik ‘vast en zeker zo’n typische macho ben’. Nou ja, meestal zeggen ze ’t pas achteraf, als ze me kennen en weten dat ik een mietje ben. Dan durven ze wel. “Ik dacht echt dat jij een arrogante pik was.”

Niet dus. Ik ben een schatje. Vraag maar aan A.

Laatst checkte ik het bij die andere vrouw met wie ik uren en uren doorbreng. J. dus. “Wat dacht jij toen je mij voor het eerst zag?” Eerlijk gezegd had ik verwacht dat ze me of een ‘bronstige aap’ vond (echt, dit heeft iemand ooit over me gezegd) of ‘gewoon’, zoals zovelen, een ongevoelige, verwaande  hufter.

Niets van dit alles. J. kon zich onze eerste ontmoeting niet herinneren.

Dat kan natuurlijk ook.

Het ‘probleem’ zit ‘m vooral in mijn gefronste wenkbrauwen. Die dragen niet bepaald bij aan een waarheidsgetrouwe eerste indruk. Ik kijk nu eenmaal van nature niet heel vrolijk en lief. De rimpel, het is meer een kloof, recht boven mijn neus spreekt boekdelen. Vriendjes en klasgenootjes dachten vroeger altijd dat ik zat te mokken. Terwijl ik aan het genieten was van een bizar grappig boek.

Nu nóg denkt A. vaak dat ik een woedende brief aan het tikken ben, terwijl ik me inwendig een rolberoerte lach om m’n eigen blogje.    

Mijn geconcentreerde blik staat standaard op onweer.  

Het grappige is dat onze hele familie ‘last’ heeft van De Frons. Gisteravond zaten we met z’n viertjes op de bank; op tv haalde de roze panter vreemde capriolen uit. Erg komisch, vinden wij hier thuis, al zou je dat niet zeggen. Ik keek opzij en moest lachen om het 'gezellige' familietafereeltje dat ik zag: drie paar gefronste wenkbrauwen (ja, ook Ole kan het al). Alsof we naar de begrafenis van Tommie, Pino en Ieniemienie keken.

Goed, mensen weten dan misschien niet dat wij in wezen allemaal hartstikke aardig, lief en schattig zijn. Maar de Peters-Frons heeft één levensgroot voordeel: wij lijken in elk geval niet spontaan. Jeuj! 

woensdag 2 februari 2011

Warme drol

In elke grote man schuilt een klein jongetje. Dus ook in mij. Nog steeds moet ik in tien minuten zo’n vierentwintig keer naar het toilet wanneer ik iets spannends moet doen. Denk aan een gesprek leiden tussen topambtenaren, een live interview met publiek erbij, of een een-op-een gesprek met minister of staatssecretaris.

Gezonde spanning is nodig om te presteren, luidt een oude sportwet.

Of het gezond is, weet ik niet, maar spanning voel ik in elk geval genoeg.

Gek genoeg was (en ben) ik vaak het meest nerveus als ik een voetballer moet interviewen. Ik weet het nog als de dag van gisteren: m’n eerste NEC-interview. Met routinier Patrick Pothuizen. Beroep: voetballer en humorist. Voor wie ‘Potje’ niet kent: trainers zeggen dat hij belangrijk is in de groep, in de kleedkamer. Potje is van ’t type ‘ik draai even een warme drol in je voetbalschoen, haha’.

Ik keek enorm tegen ‘m op.

Tot de poort van het stadion was ik gewoon Sander Peters, begin dertig en tekstschrijver met heel wat jaartjes interviewervaring. Eenmaal in het spelershome nam het kleine jongetje in mij de regie over. Het gesprek duurde een halfuur (en dat is lang hoor, voor een voetballer) en in dat halve uur heb ik nauwelijks geluisterd en zeker twintig keer in m’n arm geknepen. ‘Het is verdorie echt waar: ik zit tegenover Pothuizen en hij praat met mij.’

Na het interview ben ik heel hard naar de wc gerend.

Juist: diarree.

Inmiddels is die spanning een beetje minder. Maar de kinderlijke trots blijft. Iedere keer als onze Poolse net-niet-spits Andrzej Niedzielan mij vriendelijk de hand schudde, werd ik warm van binnen. Elke keer als Potje in de catacomben van De Goffert al van verre naar mij riep: “Hé Sander, jongen, alles goed?, dacht ik: was A. maar hier. Dat zou vet stoer zijn. 

Het mooiste moment van al die jaren NEC? Mijn cadeau voor A.’s 27e verjaardag. Als fanatieke hobbyfotograaf mocht ze voor één keer tijdens een wedstrijd foto’s maken. Aan het veld dus. Dat was nog niet alles. Ik had Romano Denneboom, om onduidelijke redenen de favoriet van A., gevraagd een paar lieve woorden op een foto van A. te schrijven. Zoiets van: ‘Lieve A., wat leuk dat je fan van bent. Ik zal proberen te scoren voor jou. Kus Romano.”

Haha.

‘Bakvis’ A. schaamde zich kapot toen ze de foto kreeg. En ging helemaal door de grond toen ze het veld opliep en de rekkende en strekkende Romano D. haar een vette knipoog gaf. Daar moest (en moet) het kleine jongetje in mij heel hard om lachen. 

dinsdag 1 februari 2011

Oma en de petjesjochies

Eén zwaluw maakt nog geen zomer. Ik weet het. Toch zou ik een moord doen voor één f*cking armzalige zwaluw. Dit weer - dit vieze, vuile, gure, donkergrijze, niksige, kletsnatte, gemeen koude weer - dat zou bij wet verboden moeten worden. Eigenlijk geldt dat voor de hele winter. En voor de herfst. En voor maart die z’n klotestaart roert en april die gvd toch gewoon doet wat ‘ie wil.

Allemaal even belachelijk.

Soms maakt één zwaluw wél een zomer. Dan doet één lief woord, één mooi gebaar of 'gewoon' één goed mens je cynisme smelten als sneeuw voor de zon. Vandaag dook er zo’n zwaluw op, vermomd als lief, klein omaatje. Watergolfje in het haar, lichtbruine regenjas, hoge schoenen en een handtasje.  Kortom: ze zag er uit zoals verfrommelde omaatjes er nu eenmaal uit horen te zien.

Niks meer aan doen.

Bij het Nijmeegse station stiefelt het vrouwtje uiterst voorzichtig van het talud omlaag richting tunnel. Ik zit op de fiets en haal haar beneden bijna in. Een groepje van vier Marokkaanse jongens komt ons tegemoet. Petjesjochies. Veel onderdelen van trainingspakken om het lijf, veel kettingen en ander zilverwerk, en de gekrulde matjes stevig in de glimmende kokoswax. Allemaal houden ze hun armen iets te ver van het lichaam.  

Het verschil met omaatje kan nauwelijks groter.

Precies als ik het oude dametje inhaal en de petjesmannetjes passeer, hoor ik het. Het omaatje zegt, met een piepstemmetje waar moederlijke bezorgdheid in doorklinkt: “Zeg jongelui, passen jullie een beetje op, alsjeblieft. Het is werkelijk spek- en spekglad daar.” En ze wijst met haar handtasje naar het talud. De jongens kijken verbaasd op. “Bedankt man, mevrouw. We gaan niet vallen, hoor. Zijn we niet van plan.” Stoer lopen ze omhoog, lachend.

Ik kijk nog eens goed naar omaatje. Ze glimlacht, geeft me een vette knipoog en zegt: “Ik heb m’n goede daad weer verricht vandaag.”

Soms is de werkelijkheid mooier dan je ooit zou kunnen bedenken. En soms heb je er ineens ook weer alle  vertrouwen in, in die multicultisamenleving. Omaatje, bedankt man