vrijdag 31 december 2010

Bijzonder Hoge Verwachtingen


Ik heb geen Goede Voornemens voor komend jaar. Daar doe ik niet aan. Wel koester ik Bijzonder Hoge Verwachtingen. Ook leuk, en het klinkt stukken zelfverzekerder. Hieronder mijn ideale 2011 in hoofdlijnen.

1.      A. komt als overwinnaar uit de strijd met de zwangerschapshormonen.
2.      de Volkskrant belt, of ik alsje, alsje, alsjeblieft het gat van Martin Bril wil opvullen.
3.      Max krijgt verkering met T., dochter van J. en oogappel van de papa van Max.  
4.      Ole blijft niet in dit tempo doorgroeien.
5.      mijn schare woest aantrekkelijke vrouwenvrienden blijft wel in dit tempo doorgroeien.
6.      ik blijk een oudtante te hebben die doodgaat en ons een net gerenoveerd jaren ’30-huis met uitzicht op het Goffertpark nalaat.
7.      NEC kwalificeert zich voor de Champions League en huurt Lionel Messi voor een jaartje van Barcelona.
8.      de opwarming van de aarde bereikt eindelijk ons landje.
9.      eind 2011 ziet mijn lijstje Top Followers 2011 (twitter) er als volgt uit: @annemieotten, @scarjohansson, @ilsedelange, @jolandavdbraak, @Petra_S_ en @ellenhoog.
10.   Roomie J. en sptekst tekenen bij voor nog eens twintig jaar samen aan de Groesbeekseweg.

Tot zover. Ik wens iedereen – op zijn of haar eigen manier natuurlijk – een even paradijselijk 2011!  

Groet!
Sander

woensdag 22 december 2010

Bravo Echo Delta


Max is tweeëneenhalf, maar hij praat als een zesjarige. En hij begrijpt alles, echt alles. Soms vergeet je dat wel eens, als papa. Zoals laatst bijvoorbeeld. Ik was bezig z'n luier te verschonen. Max zei, zoals altijd (en tradities moet je in ere houden, vinden wij): “Potverdikkie, papa, hoe vaak moet ik het nog zeggen: jij mag niet aan mijn piemeltje komen.” Ik zeg dan altijd: “Echt wel. Ik ben jouw papa. Jij bent van mij en jouw piemeltje dus ook.” Deze keer voegde ik er, gedachteloos mompelend, aan toe: “Je moet dat tegen vreemde meneren en mevrouwen zeggen.”

De afschuwelijke Amsterdamse zedenzaak zat blijkbaar nog in m’n achterhoofd.

Toen ik Max’ blik zag, realiseerde ik me onmiddellijk (maar helaas net te laat) dat ik een klein foutje had gemaakt. Onze vent keek me even fronsend aan en zei toen plotseling, heel blij: “Ja papa, ik ga dat zeggen tegen alle vreemde meneren en mevrouwen.” Sindsdien leef ik in een constante angst als ik met Max de deur uitga. Zul je net zien dat we op straat een vreemde meneer of mevrouw tegen het lijf lopen. Dan hebben we de poppen aan ’t dansen.

Na het scheldwoordenincident (Max die tegen een agressieve, bumperklevende automobilist vanaf de achterbank ‘Homo’ roept) had ik beter moeten weten met onze kleine papegaai. Dom. Dommer. Domst.

Een tijdje terug hebben A. en ik besloten om al te gevoelige thema’s in het Engels te bespreken. Of uit te spellen. Een beetje als in Tammy Wynette’s klassieker D.I.V.O.R.C.E., maar dan zonder de scheidingsperikelen. En dus klinken dialogen in ons huis soms als volgt: “S.H.I.T., A. zijn we B.E.E.R. weer vergeten bij het kinderdagverblijf?!” Of: “We hebben van opa en oma een cd met liedjes van K.D.R.I.E. en een dvd van de T.E.L.E.T.U.B.B.I.E.S. gekregen, maar dat moeten we misschien nog maar even niet zeggen.”

De mooiste suggestie kwam deze zomer van mijn zwager J, die sinds kort als 'Functioneel Specialist' carrière maakt in het leger. Op zijn initiatief zeggen we tegenwoordig zo rond de klok van zeven ’s avonds, uitgeput, tegen elkaar: “Pfff. Wanneer brengen we de kleine terminator naar Bravo Echo Delta.”

maandag 20 december 2010

Ecomaffia

Opa Sander vertelt. Toen ik op de middelbare school zat, maakten we ons zorgen om zure regen. De beelden van eindeloze vlaktes vol morsdode, verschrompelde boompjes waren schrijnend. Een tijdje terug kwam het onderwerp weer eens voorbij op tv. Boodschap van de boeiende documentaire: zure regen heeft nooit bestaan. Het concept is door de milieulobby verzonnen om de boodschap kracht bij te zetten. En om het eigen bestaansrecht als bedrijfstak – met duizenden arbeidsplaatsen - in stand te houden.

Schokkend.

Sindsdien gaan mijn nekharen overeind staan als ik onheilsprofeet Al Gore en z’n discipelen zie of hoor. Zeker nu we voor de tweede winter op rij drie maanden lang tot onze kin ingesneeuwd zitten, word ik een beetje lacherig van de term ‘global warming’. Of zoals oud-collega F. vorige week twitterde: ‘Gelukkig hebben we net op tijd internet uitgevonden. Kunnen we tijdens de nieuwe ijstijd vanuit onze ingesneeuwde huizen twitteren over de opwarming van de aarde.’

Ik ben al langer milieusceptisch. Ik vrees dat de mens z’n invloed op het klimaat van deze planeet schromelijk overschat. Ook toen ‘wij’ er nog niet waren, schommelden de temperaturen op aarde wel eens. Vraag dat de mammoeten maar eens. Bovendien, stel nu even dat de mensheid inderdaad uitsterft. Dan ontstaat er ‘gewoon’ weer nieuw leven, in andere vormen. Of niet. Beetje pretentieus om te denken dat de aarde ophoudt met draaien als De Mens het loodje legt.   

Bovenal  heb ik enige moeite om me zorgen te maken over het klimaat waarin de kleinkinderen van de achterkleinkinderen van Max en Ole zullen leven. Beetje te abstract. Wie dan leeft…

Ik geniet dan ook altijd enorm van discussies met ‘ecomaffiosi’. Niets leukers dan die humorloze gelijkhebberts op de kast te krijgen. Bij ons thuis woedt deze strijd ook. Niet dat A. van humor gespeend is, dat zeker niet. Wel is ze irritant overtuigd van haar groene gelijk. En dus krijg ik ongenadig op m’n kop als ik het cellofaantje om De Kampioen laat zitten als ik ‘m weer eens ongelezen wegflikker.

Vorige week boekte ik een bescheiden triomf. A. vertelde me (hoe sportief!) dat de man van een van haar collega’s (die bij de plaatselijke vuilophaaldienst werkt) had toegegeven dat afval scheiden onzin is, omdat ‘het toch allemaal op één berg belandt’.

Ik heb A. niets laten merken. Geen triomfantelijke blikken van mijn kant. In plaats daarvan ben ik meteen begonnen aan een tv-documentaire die ergens in 2022 moet verschijnen. De titel? ‘Honderd en een redenen waarom we maar beter relaxed kunnen genieten van ons bestaan op deze aardkloot want die ijstijd komt toch wel en dan gaan we er met z’n allen aan ongeacht of we nu wel of niet ons afval gescheiden hebben’. 

zondag 19 december 2010

Real Madrid

Over mijn voetbalcarrière kan ik kort zijn. Die kende weinig hoogtepunten. Ik denk niet dat ze bij UDI ’19 nog over Sander Peters praten. Toch heb ik tussen m’n zesde en m’n twaalfde achtereenvolgens de F1, E1 en D1 ‘gehaald’. Niet slecht voor iemand die vooral heel hard kon rennen. Zonder bal welteverstaan.

Goed, ik overdrijf een beetje: ik kan best een aardig balletje trappen. Het probleem zit meer ‘tussen de oren’. Ik ben een mietje, een watje. Of zoals ze bij NEC zeggen: een wijf zonder tieten. Als iemand met een vliegende tackle op me inglijdt, doe ik rustig een stapje opzij. Daarmee haal je de top niet, dat besef ik. Maar m’n benen en andere cruciale lichaamsdelen zijn nog wel intact. Ook belangrijk.

Behalve een mietje ben ik een dromer. Als rechterspits gingen er soms minuten voorbij zonder dat ik een bal raakte. Ik vond ‘t helemaal niet erg. Zeker zolang het zonnetje aangenaam scheen, vermaakte ik mij prima. Ik heb een rijk innerlijk leven, zeg maar. Ik was nog net niet zo’n jongetje dat bloemetjes plukte uit het gras, maar het scheelde niets. Er is meer in het leven dan voetbal, wist ik toen al.

Ook daarmee haal je de Champions League niet.

Derde obstakel op weg naar eeuwige roem is mijn voorliefde voor artistieke oplossingen in combinatie met gemakzucht. Ik denk altijd dat ik meer kan dan ik kan. Vaak komt alles op z’n pootjes terecht, en belandt de bal keurig daar waar ik het gepland had. Maar soms gaat het even heel erg fout. Vriend G. heeft een paar keer met mij gevoetbald en noemt mij sindsdien ‘Frankie. Vrij naar Frank de Boer. Die maakte ook ieder duel één slippertje, bedoelt hij dan.

Hij had net als ik een prachtige pass, reageer ik dan altijd.

Diep in m’n hart weet ik dat G. gelijk heeft. Het gebeurde me vroeger op school, en het gebeurt me nog wel eens een enkele keer, in m’n werk. Alles loopt gesmeerd, complimentje hier, schouderklopje daar en… ik verslap. Opdrachtgever minder blij; en ik boos. Op mezelf vooral. Want ik besef vrijwel onmiddellijk: had ik maar even aangezet. Dan was het goed gekomen. Of, in voetbaltermen: soms moet die bal gewoon de tribune in. Verstand op nul en bikkelen. Inderdaad, dat klinkt als NEC.

Maar ja, ik droom nog steeds van Real Madrid. Dat is het probleem! 

maandag 13 december 2010

Gepeupel 2.0

Vorige week was ik met Max op een kinderfeestje. Onze vent viel een beetje tussen wal en schip. Er was een clubje meisjes van zijn leeftijd. Maar die waren met nagellak aan ’t kliederen. En er was een clubje met oudere jongetjes. Die noemden Max ‘kleine baby’ en gooiden de deur dicht toen hij hun ‘geheime meeting’ op een van de slaapkamers wilde bijwonen.

Daar stond ‘ie dan, onze Max. Beetje beteuterd, beetje boos. Ik heb het niet laten merken, maar mijn hart brak (een beetje). Ik heb het vaker gezegd: als papa ben je een weekdier.

Het is een vergelijking die in vrijwel alle opzichten mank gaat, maar hier moest ik even aan denken toen ik gisteren het nieuws uit Amsterdam hoorde. Over het seksueel misbruik op de kinderdagverblijven dus. Hoe voel je je als een of andere hufter (ik ben normaal niet van de krachttermen, maar ik vond idioot te lief klinken) zich heeft vergrepen aan je kind? Welke emoties razen er op zo’n moment door je hoofd? Of, beter gezegd: door je lijf. Schrik en verdriet, dat zeker. Veel, heel veel agressie ook, lijkt me. En schuldgevoel, tegenover je kind. Jij hebt hem of haar tenslotte naar dat dagverblijf gestuurd.

Ik wil en kan het me nauwelijks voorstellen. Het moet vreselijk zijn.  

En toch. Hoe afschuwelijk de handelingen van die kerel ook zijn – kinderen zijn per definitie seksloze wezentjes – het rechtvaardigt in geen enkel opzicht de reacties op internet. Met name op Twitter lieten mensen al hun onderbuikgevoelens de vrije loop. Iemand omschreef de social media community vanmorgen als de ‘menigte met fakkels en hooivorken 2.0’. Treffend. Waar Johan de Witt nog met blote handen in stukken gescheurd werd, daar doet het hedendaagse gepeupel dat digitaal: door het verspreiden van allerlei persoonlijke informatie van de vermeende dader.

Een regelrecht schandaal. We leven in een rechtstaat. Een rechtstaat waarin mensen pas schuldig zijn als de rechter dat heeft besloten. En waarin mensen – wat ze ook hebben uitgevreten – bepaalde rechten hebben. Bijvoorbeeld het recht op privacy. 

Dat is niet linksig, dat is niet soft. Het is beschaafd.  

Het ironische is: wie roepen het hardst om straf, wraak, vergelding? Wie vormen de voorlieden van het gepeupel 2.0? Precies: dezelde mensen die bang zijn dat Nederland straks zucht onder de Sharia. Tja. 

donderdag 9 december 2010

Stinkerds

Deze week op http://peuterkleuter.jongegezinnen.nl

Wij mochten thuis niet opscheppen. Ja, wel aardappels, vlees en groente natuurlijk. Maar pochen was uit den boze in huize Peters. “Het stinkt hier”, zei mijn moeder als iemand het aandurfde zichzelf op de borst te kloppen. Voor mij vormde het opschepverbod geen groot probleem; tot m’n achttiende was ik een überonzekere muppet. Het liefst droeg ik grijze kleren, ik stond altijd achteraan bij groepsfoto’s, en voor iedere spreekbeurt deed ik het vier keer in m’n broek.

Ik vond muurbloempjes al vet stoer. Kun je nagaan.

Sinds ik onder moeders vleugels uit ben, trek ik me weinig meer van deze regel aan. Ik ben ouder en zelfverzekerder geworden. En dat draag ik graag uit. ‘Ik ben OK. Ik mag er zijn’, zoiets. Het maakt het leven een stuk leuker. De brutale (en zelfverzekerde) heeft immers de halve wereld.

Wie zich ook niets aantrekken van het opschepverbod, zijn mijn ouders zelf. Sinds de geboorte van kleinkind 1.0 lappen opa en oma stelselmatig hun eigen regels aan de laars. Het toilet is omgetoverd tot een expositieruimte, tjokvol foto’s van Max en Ole. Plassen en poepen zonder pottenkijkers lukt niet meer.
Iedere keer als ze Max thuis afleveren na de wekelijkse oppasdag, plannen wij een halfuurtje in om geduldig de sterke verhalen en onwaarschijnlijke anekdotes aan te horen. En wanneer opa en oma naar de repetitie van een van hun zeven koren gaan, dragen ze steevast een uitvouwbaar mapje met 652 foto’s bij zich van de kleinzoons. Alle koorvrienden en –vriendinnen weten alles van de kleinste Peters-mannen.

Begrijp me niet verkeerd: ik vind het hartstikke leuk dat m’n ouders zo trots zijn op Max en Ole. Ontroerend ook. Maar tegelijk rijst de vraag: wanneer gaat het te ver? Er komt een moment dat ik moet ingrijpen als ik opa en oma naar het fotomapje zie grijpen. Of als ik weer eens nietsvermoedend op de wc plaatsneem en Max en Ole me van nóg meer kanten toegrijnzen. “Het stinkt hier”, zeg ik dan. “En voor één keer heeft dat niets met mij van doen.”

woensdag 8 december 2010

Misselijkmakende top-3

Het kon haast niet anders. Nadat achtereenvolgens Max, Ole, A. en roomie J. door het Grote Verschrikkelijke Buikvirus getroffen waren, was het een kwestie van tijd voordat ook ik groen en geel boven de wc-pot zou hangen.

Vannacht was het zover.

En dus lig ik nu een beetje in bed te liggen. Zo slap als een vaatdoek. Eén cracker kan niet opboksen tegen de onwaarschijnlijke hoeveelheden eten en drinken die mij vannacht via het verkeerde kanaal verlieten.

Hoewel A. met gevaar voor eigen keizersneelitteken een ontzagwekkende berg Humo’s, Grazia’s en Viva Mama’s naar onze zolderslaapkamer heeft gesleept, kruipt het bloed waar het niet gaan kan. Ik wil stukjes schrijven. En dus volgt hier, speciaal voor deze gelegenheid (en omdat hitlijstjes in december altijd goed scoren), mijn top-3 van misselijkmakende momenten in de voorbije 36 jaar.

3. Te ambitieus
Zomer 1992. Ik logeer een paar daagjes bij m’n ouders in hun Franse vakantiehuis. Hartstikke gezellig, maar ik ben naar de Alpen afgereisd om bergen te beklimmen. Op de fiets. En dus heb ik mezelf op een Spartaans dieet gezet: geen wijn bij het eten, geen wijn bij het eten en geen wijn bij het eten. O ja, en pasta bij het ontbijt (en nee, lieve lezertjes, dan hebben we het niet over Nutella). Het mag allemaal niet baten. Na vier dagen zwoegen geeft mijn lichaam het op. Die nacht breek ik alle records: de overgeefteller blijft steken op drieëntwintig (23!). Tussen de oprispingen door realiseer ik me dat een carrière als profwielrenner misschien niet heel erg voor de hand ligt.

2. Dansende Friezen
Op twee: de reden waarom ik de rest van m’n leven een godgloeiende hekel zal hebben aan de Elfstedentocht. We schrijven januari 1997. Ik ben voor het weekend naar Uden afgereisd en val ten prooi aan een ordinair buikgriepje. Niets aan de hand, zou je zeggen. Moeder zorgt, even uitzieken en hopsakee. Ware het niet dat juist die dag de Tocht der Tochten wordt verreden. En dus kijk ik een uur of zestien onafgebroken naar dansende Friezen, hoempabands en Mart Smeets en Tom Egbers in rendiertruien. Het heeft even geduurd voordat ik hersteld was.

1. Ontgroening
Absolute nummer één: mijn eerste keer. Nee, niet de eerste keer dat ik moet kotsen. Maar wel de eerste keer vanwege te veel drank. Ik ben met m’n ouders op vakantie. In Frankrijk natuurlijk. We vieren mijn vijftiende verjaardag buiten de deur. In een herberg, op het platste platteland. Een fatale combinatie van een paar glazen wijn, ongekende hoeveelheden rodewijnsaus bij de gerechten, en één stevig glas champagne dat de herbergier ons aanbiedt, leidt ertoe dat ik de hele nacht op mijn knieën boven het toilet hang. Mijn moeder veegt steeds liefdevol m’n mondhoeken schoon. Pas jaren later begrijp ik dat dit het vaste volwassenwordingsritueel is in een Bourgondische familie. ;-)

maandag 6 december 2010

Van die kwesties...

Soms heb je dat. Ik tenminste wel. Dan kun je heel lang en heel diep nadenken over iets en dan kom je er gewoon niet uit. Klinkt sneu en eigenlijk is het dat ook wel. Ik ben geboren met een filosofische kijk op het leven, maar blijkbaar ook zonder de verstandelijke vermogens die nodig zijn om de vragen die ik zelf opwerp, te beantwoorden.

Mooi voorbeeld is de kwestie ‘toeval’. Ik keek vroeger regelmatig naar de serie ‘Twaalf steden, dertien ongelukken’. Elke aflevering kende dezelfde opbouw: de camera volgt twee mensen (die elkaar niet kennen) die aan het verkeer gaan deelnemen. Aan het einde van het verhaal botsen ze op of tegen elkaar. Het fascinerende is – dat vind ik tenminste – dat het gekozen perspectief de kijker het gevoel geeft dat het hartstikke toevallig is dat die mensen bij één en hetzelfde ongeluk betrokken raken. Terwijl je iedere dag honderden, zo niet duizenden mensen kruist. Op straat, in de supermarkt of op het werk. Waarom is dat niet toevallig? Omdat je in zo’n serie als het ware terug redeneert en beseft dat het ook heel anders had kunnen lopen als een van de mensen een minuutje langer op de wc had gezeten.

Mijn boerenverstand zegt: toeval bestaat dus eigenlijk niet. Maar ja. Dan denk ik terug aan 1989. Aan die vakantie waarin ik met m’n ouders en zusjes in een van de 465 pizzeria’s in Perugia zit en op weg naar de wc m’n tekenleraar tegen het lijf loop. De enige leraar ooit met wie ik echt slaande ruzie heb gehad. Als dat geen toeval is….

Ik kom er dus niet uit.

Toch moet ik een beetje haast maken met het vinden van hapklare antwoorden op dit soort vragen. Er loopt namelijk een eigenwijze peuter door ons huis. En die peuter staat op de drempel van de ‘waarom-fase’. En als dat mannetje een beetje op z’n papa lijkt, gaat ‘ie straks dingen vragen waar ik me al jaren suf over pieker. Zoals: “Papa, waarom hebben voetballers het altijd over ‘de vrije man’? Het is toch elf tegen elf?” “Papa, waar blijven insecten en vlinders als het regent? Of: “Papa, ‘heb’ je ook een spiegelbeeld op het moment dat je even niet in de spiegel kijkt?”

Vreselijk.

En dus zit ik al jaren op zaterdagmiddag met een blocnote op schoot aan de buis gekluisterd bij ‘Willem Wever’: dan heb ik die vragen alvast gecovered

donderdag 2 december 2010

Macaroni

Ik ben een eenpitter die niet meer in z’n eentje is. Sinds een week deel ik een kantoor met een collega, een vrouw nog wel. Het maakt een ander mens van me. Ik laat geen knetterende scheten meer (ook niet van die laffe, stiekeme zachte). Ik gooi bananenschillen weg voor ze donkerbruin gaan liggen rotten op m’n bureau en - helaas - ik google niet meer de godganse dag op afbeeldingen van Scarlett.

Vind ik ongepast tegenover J.

Maar hé, begrijp me niet verkeerd, het is hartstikke leuk om weer eens een kamergenoot te hebben. Die kun je namelijk ook goedmoedig plagen. Niets leuker dan J. op de kast proberen te krijgen. Dat gaat tot nu toe verbazingwekkend makkelijk. Ik zal hier niet verklappen wat haar ‘zwakke plekken’ zijn, maar het heeft veel, zo niet alles met snoep, drop en koekjes te maken.

Ook J. laat zich niet onbetuigd. Toen ik gisteren (pas) voor de zesde keer aanstalten maakte voor een sanitaire stop, hoorde ik een licht proestend geluid vanachter haar laptop komen. ‘Alweer?’, was alles wat ze vroeg. Het onvermijdelijke was gebeurd:  J. had ontdekt dat ik een meidenblaas heb. Reden voor mij om alle vuile was meteen open en bloot op de lunchtafel te gooien. Dan hebben we dat maar gehad.

En dus weet J. nu dat ik:
- thuis het vrouwtje ben die altijd en overal over wil praten
- het liefst een hele pan met macaroni met smac en kaas leeg eet
- me zwaar aangetrokken voel door wipneuzen en flaporen
- te ijdel ben om een muts te dragen (dan gaat m’n kapsel naar de haaien)
- stiekem plezier beleef aan de muziek van Britney Spears.

Laten we hopen dat het gezegde klopt en dat stukjes schrijven therapeutisch werkt. Want als ik dit rijtje zie, krijg ik sterk de neiging om me onder de dichtstbijzijnde trein te storten.

Maar ook al ben ik in m’n vrije tijd een zichzelf vervuilende, vrouwonvriendelijke ijdeltuit met een belabberde muzieksmaak, toch ben ik best een fijne kamergenoot. Tenminste, dat maakte ik op uit J.’s woorden toen we gisteren samen naar huis fietsten. Met een oprecht blij (en opgelucht?) gezicht vertrouwde ze me toe dat ze elke avond “super enthousiast” thuis komt. 

Om dat te vieren heb ik gisteravond in vijf minuten een reuzenpan macaroni achterovergeslagen. Jeuj!

maandag 29 november 2010

Knappe venten

Deze week op http://peuterkleuter.jongegezinnen.nl

Wanneer ik niet voor papa speel, ben ik journalist schuine streep tekstschrijver. Een tijdje terug interviewde ik in die hoedanigheid een mevrouw die lid was van Mensa. Voor wie geen lid is: Mensa is de vereniging voor hoogbegaafden.

Ik zat me tijdens het gesprek al te ergeren toen ze me vertelde over de eis die Mensa aan wannabe leden stelt: een IQ van 130 of hoger, vast te stellen via een thuistest op www.mensa.nl (mensen, doe me een lol: vul die test in en mail me de uitslag). Toen de vrouwelijke Einstein vervolgens ook nog zonder blikken of blozen vertelde dat ze zo blij was dat de ‘leden elkaar pas écht begrijpen’, werd het me te veel. Ik mompelde iets als: dat mag ik hopen met zo’n IQ en maakte zo snel mogelijk een eind aan het gesprek.

Elitair geneuzel. Bah.

Borstklopperij omdat je toevallig veel hersenen hebt, daar ben ik dus allergisch voor. Ik was dan ook zacht gezegd niet blij toen Max zich daar laatst ook aan bezondigde. Letterlijk riep onze vent tegen M. de kraamhulp: “Ik is héél slim.” Je kunt je afvragen hoe slim iemand is die de eerste en derde persoon enkelvoud niet van elkaar kan onderscheiden, maar dat terzijde. Ik heb Max meteen duidelijk gemaakt dat ik dit niet wil hebben. Ok, hij is een vlotte prater. Ok, hij telt moeiteloos tot drieëntwintig. Maar dan nog: je hoeft niet met je herseninhoud te koop te lopen. Zeker niet als broekie van twee jaar en vijf maanden die nog in z’n broek plast. Dan past bescheidenheid.

En laat dát nou net niet het sterkste punt zijn van Max. (Volgens A. heeft ‘ie dat van z’n vader, maar ook dat terzijde.)

Gisteren liepen mijn oudste zoon en ik hand in hand naar de kinderboerderij. Het vroor dat het kraakte; de zon scheen. Max keek me fronsend en met half dichtgeknepen aan. Plotseling stond hij stil en vertrouwde me toe: “Papa, jij is een knappe vent.” Ontroerd keek ik hem aan. “Dank je wel jongen, dat is lief.” Het was even stil. Toen constateerde onze peuter doodleuk: “Dan bent wij allebei knappe venten.”

Knap geredeneerd, niet? Hij is toch wel heel slim, die Max van ons. 


vrijdag 19 november 2010

De Wet van Berlusconi en Blatter

Het moet in 1990 zijn geweest. Op een snikheet marktplein in het slaperige Franse stadje Le Puy vindt de start van een Touretappe plaats. En ik ben erbij. Diezelfde ochtend heeft m’n vader een artikel uit de sportkrant l’Equipe voor mij vertaald. Het gaat – ook toen al – over doping. In het lichaam van Gianni Bugno, twee maanden eerder nog glansrijk winnaar van de Giro, is een verdacht hoge dosis cafeïne aangetroffen. De Italiaan verdedigt zich in een paginagroot interview. Zoals al zijn landgenoten drinkt hij gewoon graag een stevige espresso. Heel erg graag. Iedere ochtend giet hij er een stuk of dertien naar binnen, leest mijn vader voor. Ik knik vol bewondering. Dertien espresso’s, wat een held!

Even later treffen we Bugno aan, ontspannen zittend op een muurtje, een bekertje dampende, pikzwarte espresso aan de lippen. Hij geeft me een knipoog en  een handtekening. Op dat moment weet ik het zeker: deze stijlvolle, vriendelijke man is geen bedrieger.

Nu, twintig jaar later, ben ik heel wat illusies armer. Overal waar geld, roem en status op het spel staan, belazeren mensen de kluit. En dus gebruikt het hele peloton – net als onder meer voetballers, tennissers en schaatsers – op grote schaal doping. Dat weet ik, en ik heb er geen problemen mee. Als het maar onder medische begeleiding gebeurt. Als de sporters maar weten waar ze voor kiezen, welke risico’s ze lopen. De sport, het spektakel wordt er niet minder om. En uiteindelijk wint vrijwel altijd de beste, met of zonder doping. (Oké, behalve in het midden van de jaren ’90 toen hele volksstammen obscure Italiaantjes met hulp van EPO iedereen op een halfuur achterstand reden).

Ik moet altijd een beetje grinniken om de golf van morele verontwaardiging als er weer een nieuw schandaal opduikt. Een mooi, recent voorbeeld is het nieuws van de corruptie binnen de FIFA. Het grote publiek reageert verbaasd en geschokt; de pers nagelt de twee bedriegende bobo’s met grote woorden als criminelen aan de schandpaal. Terwijl ik denk: logisch toch? Want ook hier geldt: waar mannetjes strijden om geld, status, roem (en vrouwtjes), daar spelen ze vals.

Ook als het lelijke, kleine, dikke, kale, oude mannetjes in saaie kostuums zijn. Dat noemen we de Wet van Berlusconi en Blatter.

donderdag 18 november 2010

Peter Sanders

Mijn oma was verzot op taalspelletjes en woordspelingen. Vooral rare namen (en naamcombinaties) hadden haar grote belangstelling. Iedere dag spelde ze verlekkerd de geboorte- en rouwadvertenties in de krant uit. De mooiste voorbeelden schreef ze vervolgens in een schrift. Dat ene schriftje werden al snel twee schriftjes; uiteindelijk heeft ze er een stuk of zes, zeven vol gepend. Na haar dood heb ik er even in zitten bladeren. 

Hoogtepuntje uit de collectie: de heer W.C. Bril. Een even prachtige als sadistische vondst van de ouders.

Ik ben erfelijk belast. Ook ik ben gefascineerd door grappige, opvallende of ronduit bizarre namen. Zo moet ik altijd heel hard lachen om vaders die de naam van hun kind vergeten bij de balie van de burgerlijke stand. Of vaders die de naam verhaspelen. Neem oud-NEC’er Van Beukering: die gaat door een foutje van papa als Jhonny door het leven. Geniaal.
Om dit soort ellende te voorkomen, was ik bij de geboorteaangifte van Max scherp als een mes. En terecht, want het scheelde weinig of de vriendelijke ambtenaar had het accentje in de naam Ramón op de ‘n’ in plaats van de ‘o’ gezet. En ook bij de aangifte van Ole was er sprake van enige verwarring. De dame aan de andere kant van het loket: “Hoe zegt u? Olle?” Ik: “Nee, Oooo-le”. Zij weer: “Oh. Olé dus?”

Zo ging het nog even door. Uiteindelijk staat Ole’s naam correct in het geboorteregister. Maar het heeft wat voeten in de aarde gehad.

Inmiddels blijkt deze gemeenteambtenaar niet de enige die moeite heeft met de naam Ole. Tot onze verbazing dachten hele volksstammen dat we op het geboortekaartje hadden geschreven: Olé, Jonas is geboren. Ook leuk natuurlijk, maar niet onze insteek. Voor eens en altijd: het is dus Ole. Zonder dubbele ‘l’, zonder accent. Gewoon, op z’n Deens. Maar dan zonder raar Scandinavisch streepje door de ‘o’.
Of mijn namenfetisjisme iets te maken heeft met mijn eigen doorsneenaam, weet ik niet. Zeker is dat ik niet erg vrolijk word van de weinig originele combinatie Sander Peters. Ik geloof dat er alleen al in Nijmegen en omstreken al zo’n zes Sander Petersen rondlopen. Dat moeten er in heel Nederland al snel enkele tientallen zijn. Raar idee, al ben ik natuurlijk wel de knapste, slimste, grappigste en breedste Sander Peters.

O ja. En wie denkt dat elk nadeel z’n voordeel heb en dat er over mijn naam in elk geval geen babylonische spraakverwarring ontstaat: wel dus. Hoe vaak ik niet Peter Sanders genoemd word...

dinsdag 16 november 2010

Mijn geheimen

Zaterdag 13 november. Het is zover: na vier jaar zolderkamerwerk verhuist sanderpeterstekst naar een serieus kantoor. Vriend P. is uitverkoren om te assisteren. P. is een uit de kluiten gewassen Achterhoeker, beresterk, heel precies en nóg handiger dan ik. Bovendien is hij mijn vaste klusmaat. We hebben samen al heel wat eenvoudige en iets minder eenvoudige werkzaamheden verricht. Niet alleen omdat we er zo goed in zijn, maar ook vanwege de rituelen: bier drinken met een grote bak kibbeling erbij (deze ene keer ingeruild voor koffie en beschuit met muisjes) en onderweg leuke mevrouwen in nog leukere outfits spotten. 

Dat laatste doen we tegenwoordig heel laf vanachter gesloten autoraampjes. Op onze leeftijd wordt het anders al snel sneu.   

Ik schat dat P. en ik elkaar inmiddels zo’n jaar of tien kennen. Ik weet heel veel van hem, hij heel veel van mij. Maar in een goede relatie hebben mensen ook geheimen voor elkaar. Helaas liggen de mijne sinds zaterdag op straat. P. weet nu dat ik mijn administratie in gezellige rozeblauwegelegroene Hema-mappen bewaar, en dat ik mijn facturen wegstop in twee poezelige Nijntje-ordners.

Dat krijg je als je je vrouw de inkopen laat doen.

Ik heb cabaretier Bert Klunder ooit horen zeggen dat ‘vrouwen graag gezellige dingetjes op schaaltjes leggen’. Nou, ze stoppen ook graag gezellige dingetjes in gekleurde, kinderachtige mapjes. Blijkbaar.

Terug naar zaterdagmiddag. Ik moet P. bijna reanimeren nadat hij mijn kast heeft opengetrokken. De tranen (van het lachen, denk ik) rollen over z’n wangen als hij hikkend de mappen aanschouwt. En de ontmaskering neemt nog ernstiger vormen aan. Nog voordat ik actie heb kunnen ondernemen, staat hij oog in oog met mijn pluizige prikbord, met daarop onwaarschijnlijke hoeveelheden lieveheersbeestjes-prikkertjes.

Dat is de druppel voor P., imagosensitief als hij is. Hij pakt me bij de schouder, kijkt me lang en ongewoon serieus aan en zegt: “Sander, vriend, wat jij de afgelopen jaren thuis allemaal hebt uitgevreten, is jouw zaak. Ik wil het niet weten. Maar nu je dit kantoor hebt, moet je een man worden. En voor een man draait het maar om één ding: succes uitstralen.” En de uitsmijter: “Wat moet J. hier straks wel niet van denken?”

’s Avonds huil ik langdurig en hysterisch uit op de schouder van A. “Lieve Sander”, verzekert ze me, “trek het je niet aan. Jij hebt weer heel andere kwaliteiten. Bovendien: de meeste vrouwen, en J. vast en zeker ook, hoeven helemaal geen stoere machomannen. Die willen juist gezellig kletsen, over gevoelens. Ze verlangen een luisterend oor, een schouder om op uit te huilen. Dat kun jij ze bieden.”
Vast goed bedoeld, die woorden van A., maar dodelijk voor een wannabe machoman. Ik heb die avond nog lang snikkend in bed gelegen. Nu, drie dagen later, is de pijn wat gezakt. En denk ik: nou Jolanda, bof jij even met je roomie. Je hebt er een maatje, een broer en een klankbord bij.

En een vriendin, hoor ik mannetjesmaker P. al zeggen… Zucht. 

zaterdag 13 november 2010

'Ich bin ein Wessie'

Veertien jaar woon ik nu in Nijmegen. Ik begon in het Willemskwartier, in een smoezelig onderhuurhol op een kleine achttien meter van het spoorwegemplacement. Via het linksige Bottendaal, het sjieke Oost en de keurige Hazenkamp zijn A. en ik uiteindelijk in Nijmegen-West beland. Nu dik vier jaar geleden.

Destijds hadden we weinig met ‘West’. Sterker: we vonden het een deprimerende buurt, vol lelijke huizen, halfvergane industrie en aftandse sportvelden. Niet dat we de buurt kenden overigens. We kwamen er nooit. En dan bedoel ik ook echt nooit. De spoorlijn vormde (en vormt) een duidelijke grens. Een keiharde scheidslijn tussen het ‘ontwikkelde Nijmegen’ en het klootjesvolk. 

Zeg maar een Berlijnse muur. Maar dan omgekeerd: de Ossies wonen hier in West, de Wessies in Oost.  

Ruim vier jaar later is alles anders. We zijn verwesterd. Goed, we wonen officieel in Hees, maar de naam van onze straat - de Wolfskuilseweg - geeft aan met welk stadsdeel we ons meer verwant voelen. De Kuul. Daar doen we onze boodschappen, daar gaan Max en Ole naar het kinderdagverblijf, daar wonen onze vrienden. Niet in Hees. Daar wonen alleen oude CDA’ers. En wij kennen geen CDA’ers.

Vergeet opa en oma Twente.

In West voelen we ons thuis. We genieten van de ruimte, de diversiteit, en het bijna landelijke uitzicht vanuit onze woonkamer. Bovendien: de stad is dichtbij. Binnen vijf minuten sta je op het station, in zeven minuut vierendertig op Plein '44. Het ritje naar NEC kost hooguit tien minuten. Belangrijke pluspunten, zeker dat laatste.  

En toch.

Toch zijn we stiekem nog knap elitair. Want: we doen de kleine mannen straks niet bij SCH ‘op voetbal’ maar bij Blauw-Wit (in Hees!). We brengen ze niet naar de kleine pikzwarte basisschool om de hoek, maar naar De Lanteerne, de witte Jenaplanschool in… Hees. En hoe vaak verzuchten we niet: 'Waren het geen prachtige jaren in de Hazenkamp, met uitzicht op het park?'
Nu - met twee mannetjes die de hele dag willen rennen, raggen en ravotten - gaan onze gedachten bovendien steeds vaker uit naar een huis met een reusachtige tuin, aan de rand van het bos. In Malden, Mook of Molenhoek bijvoorbeeld. Inderdaad: elitaire forensendorpen. Niks volks aan. Net Nijmegen-Oost.

Dus ja, ich bin ein Wessie, maar wel een salon-Wessie. Met een oprecht roodzwartgroen hart. Dat dan weer wel…

vrijdag 12 november 2010

Calimero Ajax

Ik kom uit een slaperig Brabants provinciestadje. Een durpske waar alle kleine jongetjes voor PSV waren. Alle jongetjes? Nee, één klein eigenwijs, betweterig etterbakkie was voor de aartsvijand uit Amsterdam. Dat kereltje was ik. Kleine Sander sliep in een Ajax-pyjama (dezelfde als die van Jack van Gelder, maar dan een paar maatjes kleiner), dronk uit een Ajax-mok en had iedere vierkante centimeter muur van z’n kamertje beplakt met posters van überheld Marco van Basten.  

De man die Ajax in Athene met een rake kopbal de Europa Cup II bezorgde. Feest!

Ieder jaar nam mijn vader, zelf die hard PSV-fan, mij mee naar Ajax-Feyenoord. Pure vaderliefde. Ondanks de stevige wandeling van de (gratis) parkeerplaats naar het Stadionplein, zaten we steevast ruim tweeënhalfuur van tevoren op ons plekje, helemaal bovenin het Olympisch Stadion. Het was de tijd van Johnny van ’t Schip, de koning van de schaar, uitgejoeld door de bijdehante Amsterdammers om z’n immer flegmatieke optreden. Het waren ook de jaren van de broertjes Witschge, van Frank Rijkaard natuurlijk, en ook van baltovenaar Bryan Roy.

Maar het was vooral het tijdperk van Marco, mijn held uit Utrecht. Onvergetelijke middagen.  

Helaas is San Marco enkele jaren geleden ongenadig hard van z’n sokkel gekukeld. Als bondscoach bleek hij niet opgewassen tegen spelers met een eigen (afwijkende) mening. Marco had en heeft liever ja-knikkers en vriendjes om zich heen. Het ultieme zwaktebod. En een grote teleurstelling voor mij. Ik dacht dat Marco als manager een stuk slimmer zou zijn.

Tegelijk met Marco’s ondergang is ook mijn onvoorwaardelijke liefde voor Ajax in rap tempo gedoofd. Laat ik er meteen bij zeggen dat dit niets van doen heeft met de mindere periode waarin Ajax al tijden vertoeft. Ik ben geen salonsupporter die alleen in goede tijden fan is van een club. Mijn liefde voor NEC spreekt wat dat betreft boekdelen.
Nee, het is de arrogantie, zo misplaatst dat het bijna lachwekkend is, die me steeds heftiger is gaan tegenstaan. De opgeklopte verwachtingen, ieder jaar weer. Maar vóór alles erger ik me rood, zwart en groen aan het eeuwige gezanik en gezever. Lukt het weer eens niet, dan ligt het altijd aan externe factoren. Aan anderen. Nooit aan de club zelf.

Hoezo bluf? Ajax staat tegenwoordig voor slappe excuses. Voor smoesjes. Ja, Ajax lijdt aan het Calimero-syndroom.   

Mooi voorbeeld van een paar weken terug. Trainer Martin Jol, die ik hoog heb zitten, durft met droge ogen te beweren dat hij tien miljoen nodig heeft om met Ajax successen te boeken. Een giller. Met spelers als Suarez, Sulejmani, De Zeeuw, El Hamdaoui, Van der Wiel en Stekelenburg moet iedere trainer bijna fluitend kampioen worden. Het is in elk geval genoeg om de Champions League te ‘halen’ en (waarom niet?) Europees te overwinteren.

Mijn ‘nieuwe held’ Mario Been selecteerde bij NEC z’n spelers (en staf) op het criterium PIT. Persoonlijkheid, Instelling en Teamspirit. Tip voor Jol: werk met je mannen eens een jaartje heel hard aan die aspecten. En houd verder je mond. Wedden dat Ajax dan in no time kampioen is? Al hoeft dat van mij echt niet meer. Eind jaren ’80 heb ik genoeg lol beleefd aan de rood-witte successen.

donderdag 11 november 2010

Turbopeuter

Deze week op http://peuterkleuter.jongegezinnen.nl:

Moeder en jongste zoon zijn weer thuis. Gezond en wel godzijdank. De nietjes zijn uit A.’s buik gepulkt, Ole heeft de eerste vuilnisemmer met luiers volgepoept, en de ergste hausse aan beschuit met muisjes is achter de kiezen. Kortom: de rust is weergekeerd. Loopjongen Sander heeft tijd voor reflectie.

In sportjournalistieke termen: wat gaat er door je heen, papa? Nou, blijdschap, dat op de eerste plaats. Maar ook een intens gevoel van opluchting. Het valt eigenlijk reuze mee om twee kinderen te hebben.

Bekentenis: toen de geboorte van Ole naderde, werd ik wat onrustig. We hadden hier al een grote boef op twee beentjes rondlopen en toen Max 2.0 zich aandiende, werd ik zo nu en dan gekweld door gruwelijke visoenen van een soort Stampertjesfamilie. Ja, dat bracht wel enige spanning met zich mee. Geheel onterecht, blijkt nu. Ole is een modelbaby. Anders gezegd: hij slaapt veel. Heel erg veel. Oké, eigenlijk bijna altijd. Heerlijk! Misschien nog belangrijker: terminator Max ontpopt zich tot modelbroer. Hij helpt waar nodig, kriebelt en kroelt Ole vaak en lief (en ja, soms ook onbenullig lomp), en onze turbopeuter zit er totaal niet mee dat de rest van de familie tijdelijk z’n kamertje heeft geannexeerd.

Onze Max is een supersociaal kereltje!  

Wat natuurlijk ook scheelt, is mijn eigen ervaring. Net na de geboorte van Max moesten we de kraamhulp maar op haar blauwe ogen geloven dat die kleine paarse krielkip zou gaan uitgroeien tot een kerngezonde peuter. Nou, het levende bewijs wandelt, nee ragt iedere dag door ons huis. En dus maak ik me nu geen zorgen meer over het feit dat de knietjes van Ole dikker zijn dan de rest van z’n benen. Of als opa zegt dat ‘ie “sprekend op Maarten ’t Hart lijkt.”

Trekt allemaal bij.

Toch zit er heel diep, ergens heel ver weg in m’n achterhoofd, nog een piepkleine vorm van bezorgdheid. Max 1.0 namelijk werd in z’n eerste levensweek door de kraamhulp ook uitgeroepen tot modelkind!

En we weten hier allemaal dondersgoed hoe die kleine pipo opgedroogd is. ;-)


dinsdag 9 november 2010

Anarchie!

Het mooie van mijn werk is de diversiteit aan onderwerpen waar ik me in mag verdiepen. De ene dag interview ik MKB-voorman Hermans over het beroepsonderwijs, de dag daarna redigeer ik een wetenschappelijke paper over het Nederlands pensioenstelsel, en weer een dag later maak ik een belrondje langs politici met de vraag wat ze vinden van de zorgplannen van het kabinet. En tussendoor blog ik vrolijk verder over poepluiers, voetbal, relaties en andere aardse zaken.

Ik haat routine, dus deze afwisseling is heerlijk.

Het grappige is dat veel kennis die ik opdoe, direct (of iets minder direct) toepasbaar is op m’n privéleven. Neem nu het thema ‘doelmatigheid in het mbo’ waar ik me dezer dagen in vastbijt. Bij het doorploegen van weer een vuistdik rapport vraag ik me onmiddellijk af: hoe is het eigenlijk gesteld met de macrodoelmatigheid van ons huishouden? De vraag stellen is ‘m beantwoorden: slecht. Belabberd zelfs. In Huize Peters is ‘t momenteel een onwaarschijnlijke chaos. De reden? De kapitein van het schip - die normaal gesproken met harde hand regeert - is uitgeschakeld. We zijn dus stuurloos. Help!

Van de andere kant: ook wanneer de vrouw des huizes de touwtjes wel strak in handen heeft, zijn wij een geval apart. Dat realiseer je je pas echt als er een buitenstaander over de vloer is. De kraamhulp stelt de hele dag rare, onverwachte, ingewikkelde en confronterende vragen. Zoals: hebben jullie geen dweilstok? Eeh, nee dus. Wij doen dat een beetje met de hand. Eigenlijk. Of: bij het opruimen van de koelkast trof ik rookvlees aan met de houdbaarheidsdatum tot 12 oktober. Wist je dat? Ehm, nee dus. Maar het verbaast me eigenlijk niets. Zo gaat dat hier.

Een huishouden van Jan Steen, noemen ze dat in keurig Nederlands. Ik zeg: het is een zooitje. Niets meer, niets minder.

Stiekem ben ik daar natuurlijk gewoon heel blij mee. Ik ben namelijk allergisch voor routine. En A. ook. Dus gaan dingen hier zoals ze gaan. Niet volgens vaste afspraken, strakke schema’s en duidelijke richtlijnen. Nee, wij doen maar wat, en dat bevalt uitstekend. Nog even doorbijten: als straks de kraamhulp (echt een ontzettend lief mens!) vertrokken is, zet ik de rol wc-papier weer lekker pontificaal op de stortbak.

Lang leve de anarchie!


    

     


maandag 8 november 2010

Wildebeestenfamilie

Ik had A. al met een grote grijns gewaarschuwd toen we bij de 20-weken echo een piemel(tje) zagen bungelen. "Dit wordt een mannenhuishouden. Met alles erop en eraan, mevrouw!" En verdomd als het niet waar is, Ole is nog geen zes dagen oud of de eerste tekenen van een wildebeestenfamilie dienen zich aan. Heerlijk.

Max en ik lachen ons dood; kleine Ole kan boeren en scheten laten als de beste. Laten we eerlijk zijn: dat is toch wel vaardigheid nummer 1 die je als man nodig hebt om er een heel klein beetje bij te horen. Daar maak ik me dus geen zorgen meer over.
Over die andere belangrijke mannelijke bezigheid - poepen, liefst lekker lang en met de krant op schoot - trouwens ook niet. Dat met die krant wil helaas nog niet zo lukken, maar poepen an sich, daar is onze Ole een kei in. De gemiddelde score is nu zes keer per etmaal. Keurig op schema dus.

Iets minder mannelijk misschien, maar wel ‘typisch Peters’, is de onwaarschijnlijke knuffeldrang. Peters-mannetjes zijn sterk lichamelijk en hebben als knuffelpartner (-slachtoffer?) een duidelijke voorkeur voor A., ook wel mama genoemd.
Die dekselse Ole kan er wat van, hoor: soms lijken de krampjes hem ernstig te kwellen, maar zodra hij bij A. in bed mag en op z'n buikje gekriebeld wordt, verdwijnen de helse pijnen als sneeuw voor de zon. Het enige dat je dan nog hoort zijn poezelige knorgeluidjes, afgewisseld met zo nu en dan een knetterharde boer c.q. scheet.  

Wat ik zei: Ole is een echte (Peters)man.

zaterdag 6 november 2010

Bizar

Max in bed leggen, vier keer ’s nachts eruit om verkouden en gestresste Max te troosten, ontbijt maken voor Max en mij, Max aankleden, de tanden poetsen van mezelf en Max, Max naar kinderdagverblijf brengen, 34 luiers in twee dagen tijd verschonen, boodschappen doen, huis beetje schoonhouden, aangifte doen van Ole's geboorte, Ole bij verzekering/huisarts/kraamzorg aanmelden, spullen naar A. brengen, met Max en zonder Max op bezoek gaan in ziekenhuis, met Max rondjes lopen door ziekenhuisgangen, koken, beschuit met muisjes smeren voor gasten thuis en in ziekenhuis, socializen met familie/vrienden/buren/bekenden die ik tegenkom en het hele verhaal willen horen, bloggen voor de achterblijvers, geboortekaartjes regelen en versturen, wasjes draaien, bloedvlekken wegpoetsen, met lego spelen/stoeien/kietelen/tenten bouwen, lopende werkzaken afhandelen en paar ‘daagjes vrij regelen’, gegevens Ole melden bij ziekenhuis, rolstoel regelen voor A, ballonnen uitdelen op kinderdagverblijf, Max weer ophalen.

En nog wat van die dingen.

En dan, dan waagt zo’n kl*te verpleegkundige het te zeggen dat - als Ole huilt en A. niet kan slapen - dat ‘papa dan ook maar eens iets moet gaan doen’. Belachelijk. En bizar!  

Was getekend: een boze (en beetje vermoeide) vader van twee. L  

donderdag 4 november 2010

Einde oefening

Het begint zo knus. Met z’n drietjes dicht tegen elkaar kijken we op de bank naar Jungle Book. Voor de 463e keer in twee weken, maar dat drukt de pret geenszins. Dikke vette quality time, dat is het. Rond half acht gaat A. even naar de WC. Dan ineens roept ze: “Sander, ik verlies bloed”. Ik hoor paniek in haar stem. Ze bloedt inderdaad en niet weinig ook. Terwijl ik verwoed leuk probeer te blijven doen met Max, bel ik de verloskundige. Shit, die klinkt ook al bezorgd. Ze komt eraan. Nu. Meteen. Dit is écht niet goed. De minuten daarna duren lang. Heel lang. A. verliest nog wat gutsen bloed, donkerrood.

Als de verloskundige er is, ligt mijn A. op bed. Ze ziet bleekjes, maar komt heel stoer over. Zoals altijd eigenlijk. De onderzoekjes ondergaat ze ogenschijnlijk rustig, maar ik weet beter. Ik ken A. Ze is bang, en terecht. Ik ben ook bang. Maar ik hou het verborgen voor Max, die dit alles noodgedwongen van dichtbij meemaakt. Als de ambulance met gillende sirene is gearriveerd en A. ingeladen is, zwaaien Max en ik haar uit. Max met de knuffel in z’n hand die hij van de ambulancebroeder gekregen heeft. “Politieagenten”, roept ‘ie de hele tijd. Ik laat het maar zo.

Hopelijk ziet hij dit alles later als een leuk feestje. Of zo.

Dan komt oma. Zij neemt Max mee. Ik race als een idioot door het pestpokkenweer naar het ziekenhuis. In grote onzekerheid. Gelukkig is alles goed met moeder en kind, zo vertelt de arts in opleiding me als ik zwetend op de afdeling verloskunde ben aangekomen. Maar helaas: het goede gevoel duurt niet lang. De hartcurve van de baby vertoont plots vreemde patronen. Om kwart voor tien ’s avonds hakt de gynaecoloog de knoop door: opereren. Een keizersnee moet ons verlossen.
Dan gaat alles razendsnel: A. wordt weggereden, ik mag met vrolijke blonde Mandy als persoonlijke begeleidster de OK betreden. In een soort ER-achtige outfit. George Clooney, eat your heart out (foto’s volgen). En ja, ik mis bijna Het Moment als ik nog even naar de wc moet. Om 22.02 uur houd ik – totaal flabbergasted - Ole Jonas in m’n armen. Een kerngezonde krijsende baby, donkerrood van kleur. Helemaal goed dus. 

Een dagje later liggen we weer gezellig, met z’n drietjes, bij elkaar. Deze keer in een steriele ziekenhuiskamer. En deze keer is Max' plaats ingenomen door Ole. Grote Broer Max is nog bij opa en oma; die vermaakt zich daar stukken beter dan met die ‘saaie mama en die slapende baby’. De patiënten doen het goed: A. herstelt langzaamaan van de ingreep en de spanning. En Ole is een blakende baby: alle onderzoeksresultaten tonen het aan. We zijn opgelucht, durven eindelijk weer te ontspannen.
Dan komt de gynaecoloog binnen. Ze legt nog eens uit wat er de bewuste avond precies gebeurd is. De placenta is losgescheurd, met een enorme inwendige bloeding als gevolg. A. heeft meer dan anderhalve liter bloed verloren. En dat is veel, aldus de arts. Erg veel.
Gek is dat, voor het eerst schrikken we nu pas écht. Want de boodschap luidt: een halfuurtje later in het ziekenhuis en onze Ole had het niet overleefd.

That does it. We zijn er helemaal klaar mee, met dat bevallen. We hebben twee gezonde prachtventjes. En A. leeft nog. We gaan het lot niet meer tarten. Einde oefening. ;-)

zondag 31 oktober 2010

Ik ben bedreigd!

Ik ben bedreigd. Via twitter. Met de dood welteverstaan. Nee, schrik niet. Het is juist goed nieuws. Fantastisch zelfs. Na Paul de Leeuw, Femke Halsema en ongetwijfeld nog een blik andere BN’ers kon ik toch niet achter blijven? Ik geef het maar eerlijk toe: het zat me al langer dwars dat niemand de moeite nam mij een poederbrief, een envelop met kogels of gewoon een doodordinaire dreigbrief te sturen. Doodsbedreigingen zijn tegenwoordig een graadmeter voor succes. Blijkbaar deed ik iets niet goed.
Maar sinds gisteren is alles anders. Ik ben nu officieel one of the guys. Het zal nu vast niet lang meer duren voor ik demonstratief mijn twitteraccount uit de lucht moet halen, omdat m’n ‘omgeving’ lijdt onder mijn activiteiten als publieke figuur. Ja, ik ben een ster in wording. Ik doe er toe!

En dat allemaal vanwege een lullige tweet over bananen. Een reconstructie.

[lees hardop met onheilspellende Jaap Jongbloed-stem] Op 30 oktober, één dag voor NEC-Vitesse (de Moeder aller Derby’s) stuurt Sander Peters (@sptekst) de volgende tweet de wereld in: “Speciale wedstrijdvoorbereiding: heb zojuist vier bananen (geel-zwart) met huid en haar opgepeuzeld! #kommaaropvitas!” Nog geen drie minuten later krijgt hij een reactie. Van ene Ruud. @Ruudsuper om precies te zijn. Hij tweet: “Ik hoop dat je er in stikt.” [einde Jaap Jongbloed-stem]

Duidelijke taal, niet? Na de eerste euforie heb ik onmiddellijk de nodige maatregelen genomen. Zo heeft mijn stoere stoppelbaardje inmiddels plaatsgemaakt voor babygladde wangetjes (geloof me, zo herkent echt niemand me). Ook verlaat ik sinds gistermiddag alleen nog in het donker mijn huis. En ga ik naar de wc, dan neem ik elke keer een andere route. Je weet immers maar nooit.
Op deze manier moet ik mijn vege lijf zien te redden totdat de AIVD definitief een nieuwe identiteit heeft geregeld. Gisteren belden ze: ik mocht kiezen. Of een leven als toyboy van Scarlett J. óf een bestaan als poenerige, patserige Arnhemmer met een skybox in het Gelredome.

Poeh, moeilijke keuze hoor, eens even héél goed nadenken… ;-) 

vrijdag 29 oktober 2010

Hé, slachtoffer!

Ik ben een man en dus zap ik graag en vaak. Meestal is dat een tamelijk doelloze bezigheid. Maar soms levert het iets moois op. Zo belandde ik een tijdje terug in een documentaire over het taalgebruik van kleine kinderen. Meer specifiek ging het over schelden. Waar wij vroeger de enige twee ‘allochtoontjes’ in onze klas – V. uit Turkije en R. met een Indonesische vader – nog redelijk goedmoedig uitmaakten voor ‘Turkie Augurkie’ en ‘Pinda’, daar gaat het er nu anders aan toe. Harder vooral. Kleine kindjes wensen elkaar zonder blikken of blozen de meest vreselijke ziektes toe.

Boeiende televisie. En behoorlijk schokkend.

Als taalfreak bleef me vooral één specifiek scheldwoord bij. Een term die de laatste tijd, zo begreep ik, onder de jeugd aan een serieuze opmars bezig is: ‘slachtoffer’. Prachtige vondst. Zeg nu zelf: niets ergerlijker dan van die klagende types. Van die vet sneue passievelingen die altijd denken dat alles en iedereen het op hen gemunt heeft – terwijl dat dus niet zo is. Dat soort losers roept in mij een bijna onbeheersbare agressie op. 

En nu ben ik er zelf een.

Want, echt waar, alles zit tegen. Gisteren beleefde ik het dieptepunt van mijn persoonlijke crisis. Hoop ik. Na zes uur slaap (te weinig, gaap), kroop ik om zeven uur (in het donker!) in de trein, op weg naar Amsterdam (station Bijlmer-Arena). Die reis op dat tijdstip is op zichzelf al reden genoeg om in een diepe depressie te geraken, maar het zou nog erger worden. Ik som even op: een opdrachtgever (een kleintje, dat dan wel) beëindigt via de mail de samenwerking - slik! - een bitchy mevrouw snauwt me in de trein toe dat ze ‘ontzettend veel last heeft’ van mijn iPod – huh, hij staat helemaal niet hard – en bij aankomst in Nijmegen heeft een grapjas het zadel van m’n fiets gejat. En omdat ik niet het type ben dat blij wordt van een zadelpen in z’n…, loop ik naar huis. Om half twaalf ’s avonds. Door de regen.

Help, ik ben zielig!

Maar dan. Dan is er altijd nog Max. Ik sluip z’n kamer binnen, en kijk even bij z’n bedje. Onze kleine witkop ligt horizontaal in bed, luid snurkend en in een innige omhelzing met z’n vrienden Beer, Kikker, Hond en Babyhond. Wauw. Het liefste, leukste, grappigste, mooiste en stoerste jongetje ter wereld is mijn zoon.  

Exit slachtoffer Sander.      

dinsdag 26 oktober 2010

Handen af van Het Bos!

Ik ben een mooi-weer-wielrenner (A. noemt me een ‘mietje’, maar dat is een nuanceverschil). Het gaat om het gevoel: alleen als de zon schijnt, de temperatuur boven de vijftien graden uitstijgt en de wind nauwelijks voelbaar is, beklim ik mijn racefiets. Mijn winteruitrusting - mutsje, handschoenen, windjack en overschoenen - ligt al jaren onaangeroerd boven in mijn kledingkast. Fietsen is een passie, maar het moet wel een beetje leuk blijven.  
Ja, ik ben ook een mooi-landschap-wielrenner. Is het landschap saai en desolaat, dan past mijn moraal zich onmiddellijk aan. Nooit deed ik langer over tien kilometer dan die keer langs het kanaal tussen Hardenberg en Coevorden. Ver-schrik-ke-lijk! Godzijdank woon ik in de mooiste streek van Nederland: het rijk van Nijmegen.

Misschien nog belangrijker dan weer en omgeving is de toestand van de weg. Inderdaad, ik ben een mooi-wegdek-wielrenner. De fysieke extase die zich van mij meester maakt wanneer ik over een nieuwe, gladde asfaltlaag rijd en niets anders hoor dan het zoemen van de bandjes (die natuurlijk perfect op spanning zijn), is met niets anders te vergelijken. Nou ja, met bijna niets…

Neemt allemaal niet weg dat ik oprecht kan genieten van de koers der koersen: Parijs-Roubaix. Vanuit de leunstoel - verwarming op een behaaglijke 22 graden, joggingbroek en dikke sokken aan, dampende mok warme chocolademelk bij de hand - bezie ik met genoegen het heldhaftige geploeter door regen en wind, over modderige kasseistroken, en langs mistroostige populieren, verlaten mijnschachten en smoezelige cafés vol werkloze alcoholisten. Dus zeg ik: “Organisatie, morrel niet aan dit monument. Blijf met je handen van Het Bos!”

Het moet wel een beetje leuk blijven, thuis op de bank.  

maandag 25 oktober 2010

Liefde voor Mario (part two)

15 januari 2009. Die dag plaats ik een stukje over Mario Been op m’n site. Eigenlijk is het gewoon een liefdesverklaring. Mario is namelijk een held. Een idool. En als fan ben je een beetje verliefd op je idool. Ik wel in elk geval.

Maar: liefde maakt kwetsbaar. Als je geliefden het moeilijk hebben, lijd je mee. En dus beleefde ik gisteren een inktzwarte zondag. De beelden staan in m’n geheugen gegrift. Donkere wolken jagen over het Philips-stadion. Langs de lijn staat een man. Eenzaam en alleen, weggedoken in z’n jas. De trekken, de kleine gestalte, het haar: het is onmiskenbaar Mario Been. Maar ook weer niet. Ik zie namelijk een gebroken man. Een man die het allemaal niet meer weet. Een schim nog slechts van de zelfbewuste, humoristische en altijd relativerende Mario die we in Nijmegen leerden kennen.

Terug in de tijd. In 2008 en 2009 ben ik een tijdlang ‘professioneel stalker’ van Mario. Iedere veertien dagen bel ik ‘m op z’n 06-nummer, dat ‘ie mij zelf heeft gegeven. Op donderdagmiddag, rond een uur of vier, beantwoordt hij vanuit de auto enthousiast en met humor de vragen die ik hem voorleg. Vragen van bezoekers van de NEC-site. ‘Mario, waarom stel je Collins John niet op?’ ‘Mario, hoe vaak gaat Jhonny van Beukering naar de snackbar?’ en ‘Mario, hoe heet je hond?’ Dat soort werk. 
De eerste keer dat ik z’n nummer draai, ben ik zenuwachtig. Als een schooljochie dat een handtekening vraagt van z’n idool. ‘Hé die Sander’, roept Mario meteen als ik vertel waarom ik bel. Vanaf dat moment zijn we vrienden. Zo voelt het voor mij althans. En zo voelt het voor heel Nijmegen: vanaf dag één is het wederzijdse liefde. NEC past bij Mario, Mario past bij NEC.

Een anekdote. Oktober 2006. De eerste supportersavond voor de nieuwe NEC-trainer Mario Been. De resultaten zijn niet om over naar huis te schrijven en dat laten de niet al te fijnzinnige types in het publiek hem duidelijk weten. De krachttermen vliegen ‘m om de oren. Dan zet hij zich achter de microfoon en spreekt de legendarische woorden: “Jullie mogen me voor van alles uitmaken, maar eerst moeten jullie nu even goed naar mij luisteren. Klootzakkies.” Eerst doodse stilte in de zaal. Dan een luid applaus. Jongen van het volk, die Mario. Hij kan niet meer stuk.
Nog een voorbeeld. We zitten ergens in het voorjaar van 2008. Het is donderdag en dus bel ik Mario. Eerst neemt hij niet op. Ik leg de telefoon neer, maar nog geen seconde later hoor ik mijn ringtone. “Mario Been’ lees ik in het schermpje. “Met Sander?’. ‘Hé jongen, met Mario. Ik bel je over een kwartier terug. Ik moet even de hond uitlaten. Het arme beest staat gigantisch op knappen. Tot zo!’ En weg is ‘ie. Exact een kwartier later gaat mijn mobiel weer…

In de zomer van 2009 laat Mario ons in de steek. Maar niemand die het hem kwalijk neemt. Hij kan als ras-Rotterdammer de roep van z’n grote liefde niet weerstaan. Feyenoord heeft hem nodig! We begrijpen dat. Daar gaat iets moois groeien in Rotterdam-Zuid, dat kan niet anders. En nu staat ‘ie daar, naast de dug-out in het PSV-stadion. Gekweld. Getekend. Flets. Niks geen branie, humor of relativeringsvermogen.

Verdomme Mario, is dat nou liefde? Wie doet nou zoiets met je? Kom terug, kom naar Nijmegen. Beter voor jou, beter voor ons! Toch?

vrijdag 22 oktober 2010

Homo-erotische gevoelens

Net als iedere gezonde Hollandse jongen ben ik tot in het puntje van m’n kleine teen bang voor homo-erotische gevoelens. Niet dat ik die heb natuurlijk. Maar stel nu even dat een andere man ze voor mij zou hebben. En er werk van zou maken. Brrr. Of erger: dat anderen de indruk zouden krijgen dat ik ze heb. Je moet er toch niet aan denken.

Begrijp me niet verkeerd. Ik heb niets tegen mannen. Sterker nog: ik heb mannen onder m’n beste vrienden. Maareh… we zijn géén homo’s!

Er is één plek waar alles anders is. Waar mannen - stoere mannen dus, laten we elkaar geen mietje noemen - zonder gêne andere stoere mannen kussen en omhelzen. Vreemd genoeg is dat op een plek waar je dat het minst zou verwachten, namelijk op en rond het voetbalveld.
Iedere twee weken zit ik in stadion De Goffert. Vak L, rij 15, stoeltje 26, dat is mijn plekje. Om mij heen zitten veel mannen. Jonge mannen, oude mannen, kleine mannen, grote mannen, dikke mannen, dunne mannen, lelijke mannen, lekk… eeeh knappe mannen, kale mannen en harige mannen. Al deze mannen delen één grote liefde: NEC.
Of eigenlijk twee: op sommige momenten namelijk houden we ook heel erg veel van elkaar. Scoort NEC een doelpunt of wint NEC een belangrijk duel, dan zijn wij - voor heel even, maar ook meteen heel erg overtuigend - van de herenliefde. We knuffelen en zoenen de buurman, springen en rijen tegen elkaar aan, en duiken op en over elkaar.

Er zijn zelfs verhalen bekend van mannen die na een gewonnen Uefa Cup-duel gezamenlijk de bosjes in het Goffertpark bezochten.

Dat laatste is een uitzondering. Meestal is de magie na het laatste fluitsignaal verdwenen. Dan zijn we weer gewoon Piet, Klaas, Sander en Harry. Dan lachen we weer ongemakkelijk als we afscheid nemen, kloppen we elkaar hardhandig op de schouder en roepen net iets te hard dat we thuis eens even ‘het vrouwtje van dichtbij gaan bestuderen’ (ik zeg dat soort dingen niet natuurlijk, maar alle anderen in vak L wel). Dan zijn we, kortom, weer gewoon hartstikke onszelf en dus ook hartstikke bang voor mannen en de mannenliefde.

Tot twee weken later het fluitje van de scheids klinkt. Dan zijn we weer vrij. Vrij van gêne, vij van angst. Jeuj, mannen, we mogen weer!